Discoursanalyse

Cursustekst Informatieverwerking UIA Dept. PSW

Nico Carpentier en Sonja Spee


Inhoudstafel

1. INLEIDING
2. KRITISCHE DISCOURSANALYSE
2.1 THEORETISCHE ONDERSTEUNING VAN KDA
2.1.1 Voorlopers: de Saussure en Peirce
2.1.2 Foucault
2.1.3 Derrida
2.1.4 Laclau en Mouffe
2.2 BASISCONCEPTEN VAN KDA
2.3 VOORBEELDEN VAN KDA
2.3.1 Foucault: 'Histoire de la sexualité'
2.3.2 Derrida: Grammatologie
2.3.3 Hall: Thatcherisme
2.4 METHODOLOGIE VOOR KDA
3. CONVERSATIEANALYSE
3.1 BEGRIPSVERDUIDELIJKING
3.2 THEORETISCHE ONDERSTEUNING VAN CA
3.2.1 Wittgenstein
3.2.2 Austin
3.2.3 Habermas
3.2.4 Harold Garfinkel
3.2.5 Sacks & co
3.3 BASISCONCEPTEN VAN CA
3.4 TRANSCRIPTS
3.4.1 Gegevensverzameling
3.4.2 Gegevensverwerking
3.4.3 Een bruikbaar transcriptiesysteem
3.4.4 Transcriptanalyse
3.5 VOORBEELDEN VAN CA
3.5.1 Nieuwsinterviews
3.5.2 Wodak: de IGS in een therapeutische situatie
4. EEN VERGELIJKING TUSSEN KDA EN CA

1. Inleiding

Discoursanalyse (DA) is een interdisciplinaire stroming die op het einde van de jaren '60 en in het begin van de jaren '70 is ontstaan als een kruisbestuiving tussen linguïstiek, literatuurstudie, antropologie, semiotiek, sociologie, psychologie en communicatiewetenschap (Van Dijk, 1988, p. 17). Het interdisciplinaire karakter van DA heeft niet alleen een grote theoretische en empirische verscheidenheid tot gevolg gehad, maar heeft tegelijk een veelheid aan invalshoeken en benaderingen doen ontstaan, die niet altijd even gemakkelijk te verzoenen zijn. Illustratief hierbij is de discussie over de definitie van discours an sich, waarbij steevast wordt gewezen op de terminologische spraakverwarring. Wodak schrijft bijvoorbeeld:

'The term discourse integrates a range of meanings in its everyday and philosophical uses, which sometimes seems to contradict or exclude one another.' (Wodak, 1996, p. 12)

In Fairclough is een overzicht terug te vinden van de verschillende manieren waarop de term 'discours' gebruikt wordt:

''Samples of spoken dialogue, in contrast with written text'; 'spoken and written language'; 'situational context of language usage'; 'interaction between reader writer and text'; 'notion of genre' (for example newspaper discourse).' (Fairclough, 1992, p. 3)

Ondanks deze verschillende invalshoeken hebben deze invullingen van DA wel twee gemeenschappelijke elementen, die in de meeste definities van DA terug te vinden zijn. Bijvoorbeeld Wodak gebruikt de volgende definitie:

'Discourse may thus be defined as 'text in context' (Van Dijk, 1990, p. 164) on the one hand; as a 'set of texts' on the other (Dressler/Merlini-Barbaresi, 1994, p. 6ff). [...] Van Dijk (1990, p. 164) points to an additional decisive aspect, which is that discourse should be understood as action: "I understand 'discourse' ... both as a specific form of language use, and as a specific form of social interaction, interpreted as a complete communicative event in a social situation.' (Wodak, 1996, p. 14)

Een eerste element dat uit deze definitie kan afgezonderd worden, is dat discours een sociale actie impliceert. Taal wordt niet gezien als een zuiver intellectuele, cognitieve activiteit, maar als een onderdeel van een ruimer, sociaal geheel. Het spreken zelf wordt als een activiteit beschouwd, die voorgebracht wordt binnen een situatie en die op zijn beurt nieuwe situaties kan voorbrengen. Deze denkwijze steunt onder andere op werk van Austin (en het concept 'communicatieve acts') en van Wittgenstein (het concept 'language-games'). Het standaardvoorbeeld van een 'communicative act' zijn de woorden 'I do' (of voor de Nederlandstaligen: 'Ja') die bij een huwelijk worden uitgesproken. Eén van de voorbeelden van de taalspelen van Wittgenstein is een bevel geven, en een bevel gehoorzamen:

'De taal moet de communicatie mogelijk maken tussen een bouwer A en zijn helper B. Bij het bouwen gebruikt A de volgende bouwelementen: blokken, pilaren, platen en balken. B moet de elementen aangeven, en wel in de volgorde waarin A ze nodig heeft. Voor dit doel bedienen zij zich van een taal die bestaat uit de woorden 'blok', 'pilaar', 'plaat', 'balk'. A roept ze af; - B brengt het element dat hij geleerd heeft op die roep te brengen.' (Wittgenstein, 1976, p. 32)

Beide voorbeelden illustreren uitstekend dat met dit taalgebruik onlosmakelijk actie verbonden is.

Vooraleer het tweede en belangrijkste element uit de discoursdefinitie van Wodak te distilleren, is het noodzakelijk het woord 'tekst', dat zowel in de definitie van Van Dijk als in de definitie van Dressler en Merlini-Barbaresi gebruikt wordt beter te omschrijven, aangezien de definities van deze term aanzienlijk verschillen. Ten eerste is er de definitie van tekst die zich baseert op het meer algemene taalgebruik, waarbij tekst gereserveerd wordt voor geschreven taal. Bijvoorbeeld Van Dijk verwijst naar deze definitie, als hij stelt dat DA zich moet richten op zowel gesproken als geschreven taal:

'Although many discourse analysts specifically focus on spoken language or talk, it is therefore useful to include also written texts in the concept of discourse. [...] In sum, discourse studies are about talk and text in context.' (Van Dijk, 1997, p. 3)

In een tweede benadering - waar in dit hoofdstuk de voorkeur aan gegeven wordt - wordt dit onderscheid tussen gesproken en geschreven taal niet in de definitie van tekst opgenomen. Zoals Brünner en Graefen stellen, wordt tekst dan gedefinieerd als de materialisering van linguïstisch gedrag:

'In the context of a theory of linguistic behaviour, it is an essential determination of the text, that the linguistic behaviour, which is made material in the text, is detached from the overall common speech situation just as is the receptive behaviour of the reader - the common ground being understood in a systematic, not a historical sense. In a text, speech behaviour assumes the quality of knowledge, which is in the service of transmission and is stored for later use; ... the written form, which is constitutive for the everyday use of the term, and today is frequently regarded as almost synonymous with 'text', is therefore not a necessary feature of a text.' (Geciteerd in (Wodak, 1996, p. 13-14))

Daarnaast is er ook nog de definitie van tekst van Fiske, die de term tekst vanuit een ontvangersperspectief bekijkt. Televisieprogramma's zijn het product van de beeldindustrie, teksten het product van de ontvanger:

'A text is the site of struggles for meaning that reproduce the conflicts of interest between the producers and consumers of the cultural commodity.' (Fiske, 1987, p. 14)

Zoals hierboven reeds werd aangestipt, is de meest wezenlijke eigenschap van DA het belang dat aan de context van een tekst wordt gehecht. Van Dijk stelt dat het doel van DA ligt in het geven van expliciete en systematische beschrijvingen van discoursen. In deze beschrijvingen zijn steeds twee dimensies aanwezig: een tekstuele en een contextuele, waarbij deze laatste dimensie volgens van Dijk varieert van cognitieve processen tot socio-culturele factoren (Van Dijk, 1988, p. 24-25). Anderen spreken - in navolging van Foucault - over discours als een sociale praktijk, zoals bijvoorbeeld in de formulering 'het medisch discours'. Het gemeenschappelijke uitgangspunt en de meest fundamentele vooronderstelling van DA blijft echter de contextafhankelijkheid, of dit nu de macro-context of de micro-context is.

Het naar voren brengen van deze contextafhankelijkheid heeft twee - onderling nauw verwante - voedingsbodems, namelijk het anti-fondationalisme en het anti-essentialisme. Het anti-fondationalisme gaat van de basisveronderstelling uit dat 'truth is not discovered, but fabricated' (Sayyid, 1998, p. 250). In deze stroming wordt geëxpliciteerd dat fenomenen geen ultieme grond - zoals de wil van God, de menselijke natuur, of sociale cycli - hebben. In het anti-essentialisme wordt bovendien ontkend dat fenomenen verklaard kunnen worden door onveranderlijke en vaststaande eigenschappen. Ook hier wordt erop gewezen dat: 'the "whatness" of any given entity is socially constructed.' (Sayyid, 1998, p. 250)

Een voorbeeld kan dit verduidelijken. In wat Jakobson in 1960 de conatieve functie van taal noemde, wordt taal gebruikt om bepaalde praktische doelstellingen te realiseren. Op basis van het werk van Jakobson hebben Potter en Wetherell in 1987 het begrip 'interpretatief repertoire' ontwikkeld, met de bedoeling om een verklaring te bieden voor de tegenstrijdige meningen en argumenten die dezelfde mensen soms kunnen hanteren. Deze auteurs stellen dat mensen over verschillende 'interpretatieve repertoires' beschikken die kunnen veranderen afhankelijk van de gespreksomstandigheden en van de doelstellingen die zij aan de hand van het gesprek willen bereiken. Los van het feit dat deze theorie lijdt onder een uiterst rationeel-strategisch mensbeeld, ondersteunt zij ook de contextafhankelijkheid van communicatie (Van Den Bergh, 1997, p. 191-192).

Hiermee wordt tegelijk één van de grote twistpunten binnen DA aangeraakt, namelijk de verhouding tussen tekst en context in functie van de begrenzing van het begrip context. Binnen DA is een ruim spectrum aan standpunten aanwezig, met aan het ene uiterste de Foucaultiaanse interpretatie waarbij teksten gebruikt worden om zogenaamde 'ordres de discours' op te sporen (Merquior, 1988, p. 80). Discours wordt dan gezien als een totaliteit van interacties (binnen een bepaald domein, op basis van uitspraken), of om de woorden van Foucault te gebruiken:

'Discursieve praktijken [zijn] verzamelingen van anonieme en historische regels, altijd specifiek bepaald naar tijd en plaats, en die, in een bepaalde periode en binnen een sociaal, economisch, geografisch of linguïstisch gebied, het raamwerk definiëren binnen welk de enuntiatieve functies worden uitgeoefend.' (Geciteerd in (Merquior, 1988, p. 80))

Aan het andere uiterste bevindt zich de oude socio-fonologische benadering die slechts enkele extra-linguïstische variabelen (zoals bijvoorbeeld klasse en etniciteit) in de studie van het gebruik van fonemen1 in gesprekken opnam. Dit tweede uiterste wordt (in tegenstelling tot het eerste) ondertussen wel als voorbijgestreefd beschouwd; de analyse-eenheid is in deze stroming verschoven van fonemen naar teksten (Wodak, 1996, p. 4-5).

Bourdieu maakt gebruik van de tweedeling intern en extern om dit spectrum te duiden, waarbij de interne analyse zich sterker op de tekst richt en de externe analyse zich meer op de context richt (Fairclough, 1998, p. 142-143). Daarnaast worden soms ook de termen kritische discoursanalyse (voor een meer Foucaultiaanse aanpak) en socio-linguïstiek (voor een meer linguïstische aanpak) gebruikt om dit onderscheid te verduidelijken.

In dit hoofdstuk wordt de voorkeur gegeven aan deze tweede benadering. Wel wordt de socio-linguïstische invalshoek niet volledig besproken, maar beperkt tot één van de onderdelen, namelijk conversatieanalyse (CA). Sommige auteurs beschouwen socio-linguïstiek als één van de linguïstische invalshoeken naast bijvoorbeeld conversatieanalyse, semiologie en tekst-linguïstiek (zie bijvoorbeeld (Van Dijk, 1988, p. 18-21)).

Wij beschouwen socio-linguïstiek als een overkoepelend begrip, waaronder zich onder meer conversatie-analyse bevindt. De vraag kan bovendien gesteld worden in welke mate CA niet meer en meer het volledige domein van de socio-linguïstiek is gaan innemen, omdat CA zich ten eerste niet meer beperkt tot het bestuderen van informele gesprekken, maar ook meer institutionele settings is gaan bekijken, en ten tweede de analyse-eenheid van de socio-linguïstiek is verschoven van foneem naar tekst.

2. Kritische discoursanalyse

2.1 Theoretische ondersteuning van KDA

2.1.1 Voorlopers: de Saussure en Peirce

Twee theoretici uit het begin van deze eeuw hebben een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van het begrippenkader van de semiologie, een stroming die een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan DA: de Saussure en Peirce.

In de 'Cours de linguistique générale' van de Saussure, die voor het eerst in 1915 - postuum - is verschenen, wordt het teken (sign) in twee componenten onderverdeeld: het sound-image (signifier of betekenaar) en het concept (signified of betekenis). De relatie tussen deze twee laatste begrippen is arbitrair (Berger, 1991, p. 4). Het bewijs voor het arbitraire karakter van deze relatie vindt de Saussure in het feit dat een concept verschillende namen, bijvoorbeeld in verschillende talen, kan hebben (Sayyid, 1998, p. 257).

Sound-image

(signifier)

 

Sign

"Boom"

Concept

(signified)

Boom

Naar: (Berger, 1991, p. 9)

Sayyid en Zac merken tegelijk wel op dat de relatie tussen betekenaar en betekenis bij de Saussure gesloten is, omdat ze bij conventie vastgelegd wordt:

'Saussure defines the sign as the closed relationship between a signifier and a signified. The signifier is an acoustic image, the signified is an concept, and the relationship between them is uniquely based on convention (that is, it is arbitrary).' (Sayyid, 1998, p. 257)

Een tweede element uit het werk van de Saussure is dat concepten betekenis krijgen aan de hand van relaties met andere concepten, of zoals Berger het stelt: 'Nothing has meaning in itself!' (Berger, 1991, p. 7). Deze basisrelatie is oppositioneel en negatief.

'Concepts are purely differential and defined not by their positive content, but negatively by their relations with the other terms of the system.' (de Saussure, 1966, p. 117)

Concepten hebben geen inhoud vanuit zichzelf, maar zijn waarden van een structuur. De relatie primeert dus op het element. De Saussure geeft als voorbeeld het zoekgeraakte paard uit het schaakspel:

'Kan men dit dan vervangen door een gelijkwaardig ander stuk? Zeer zeker: niet alleen een ander paart, maar zelfs een afbeelding die er niet de minste gelijkenis mee heeft (bijvoorbeeld een luciferdoosje), zal er identiek mee verklaard worden, als men het dezelfde waarde toekent.' (Berns, 1981, p. 146)

Daarnaast heeft ook Peirce een belangrijke bijdrage geleverd, door 3 eigenschappen van een teken te onderscheiden: een teken is ten eerste representatief: het verwijst naar iets dat niet aanwezig is. Peirce noemt dit het denotatum, anderen zijn dit later het referent gaan noemen. Ten tweede wordt een teken ook geïnterpreteerd: in de geest van de waarnemer ontwikkeld zich een nieuw teken, de interpretant. En tenslotte functioneert een teken ook binnen een bepaald systeem die de samenhang van de tekens regelt. Dit laatste noemt Peirce de 'ground' (Vos, 1991, p. 41).

Elk van deze 3 eigenschappen wordt nog eens in 3 gedeeld. Er zijn volgens Peirce bijvoorbeeld 3 manieren waarop een teken naar zijn denotatum kan verwijzen:

* Een iconisch teken: de relatie wordt gekarakteriseerd door een gelijkenis. Zo is bijvoorbeeld een foto een iconisch teken van wat afgebeeld wordt.

* Een indexicaal teken: de relatie wordt gekenmerkt door aangrenzendheid. Het teken is afzonderlijk maar afhankelijk van waar het naar verwijst. Bijvoorbeeld de pijl naar een uitgang staat op zich, maar heeft wel de uitgang nodig.

* Een symbolisch teken: de relatie wordt bepaald door conventies. Buiten de afspraak zijn zij zinloos. Gesproken taal is hier een voorbeeld van (Vos, 1991, p. 41-42).

Het begrippenkader van de Saussure wordt vaak gecombineerd met het denotatum-concept van Peirce; dit geeft het volgende resultaat:

Signifier

Sign


Signified

Zoals Berns stelt, bestaat er een driedeling: het ding of de zogenaamde referent, de klank of hetgeen dat betekent en het mentale beeld of hetgeen dat betekend wordt (Berns, 1981, p. 143). In een voorbeeld:

Het woord 'Boom'

Sign


Het concept Boom

2.1.2 Foucault

De discourstheorie van Foucault steunt op de begrippen kennis en macht, en hun onderlinge verwevenheid. Zijn analyse van het subject brengt hem bij de praktische kennis van het subject, en tot het bekijken van het subject als een machtsinstrument, als een produkt van overheersing, en niet als een instrument van persoonlijke vrijheid (Merquior, 1988, p. 107). In de ogen van Foucault worden subjecten namelijk niet door een discours vertegenwoordigd maar gecreëerd.

Discours is sterk verbonden met macht, omdat de kennis die door een discours geproduceerd wordt ook macht genereert. Het discours creëert kennis en kan een 'waarheidsregime' produceren (Hall, 1993, p. 295). De subjecten van het discours worden hier aan onderworpen ('subjected to it'), waardoor de producenten van het discours macht verwerven over deze subjecten. Hall geeft het klassieke voorbeeld van het onderscheid tussen vrijheidsstrijders en terroristen:

'It is a fact that they are fighting; but what does the fighting mean? The facts alone cannot decide. And the very language we use -'freedom fighters/terrorists' - is part of the difficulty. Moreover, certain descriptions, even if they appear false to us, can be made 'true' because people act on them believing that they are true, and so their actions have real consequences. Whether the Palestinians are terrorists or not, if we think they are, and act on that 'knowledge', they in fact become terrorists because we treat them as such. The language (discourse) has real effects in practice: the description becomes true.' (Hall, 1993, p. 293)

Foucault maakt een duidelijk onderscheid tussen kennis, discours en ideologie (Hall, 1993, p. 292). Dit laatste begrip wordt namelijk door hem verworpen, op basis van het argument dat ideologie verwijst naar het onderscheid tussen ware (wetenschap) en valse uitspraken (ideologie):

'[Ideology] always stands in virtual opposition to something else which is supposed to count as truth. Now I believe that the problem does not consist in drawing the line between that in a discourse which falls under the category of scientificity or truth, and that which comes under some other category, but in seeing historically how effect of truth are produced within discourses which in themselves are never true or false.' (Foucault, 1972, p. 118)

Macht wordt door Foucault op een specifieke manier ingevuld, omdat hij sterk de klemtoon legt op de produktieve zijde van macht in plaats van op de repressieve zijde, zonder het bestaan van repressie te ontkennen. 'Macht produceert realiteit: domeinen van objecten en rituelen van waarheid. Het individu en de kennis die men ervan kan verkrijgen maken deel uit van deze produktie' (Merquior, 1988, p. 108). Macht produceert plezier, vormt kennis en produceert discours. Het zijn volgens Foucault juist deze positieve aspecten die macht voor mensen aanvaardbaar maakt. Zou macht alleen maar repressief functioneren, dan zouden mensen niet overtuigd kunnen worden om te gehoorzamen (Foucault, 1972, p. 119).

Het is volgens Foucault bovendien onmogelijk om binnen een patroon van overheersing een precieze groep actoren aan te wijzen die dit duidelijk zo wilden en bedoelden. Hij verzet zich tegen het bestaan van een veralgemeende machtstrategie2, maar erkent wel dat er geconsolideerde relaties van dominantie en onderwerping zijn. Foucault spreekt van een strategie zonder strategen (Sayyid, 1998, p. 263). Bij wijze van voorbeeld bespreekt Foucault de strategieën die dienden om de Franse arbeiders aan hun werkplaats te binden: de bouw van arbeiderssteden, het ontstaan van fabriekswinkels en de kredietmogelijkheden voor arbeiders werden niet alleen door de eigenaars maar ook door allerlei filantropische initiatieven ondersteund (Merquior, 1988, p. 111).

De interesse van Foucault gaat uit naar de formatie van deze discours en naar de articulatie van de discours met andere sociale praktijken die buiten het discours staan (Merquior, 1988, p. 32). Het discoursconcept wordt door Foucault gebruikt om de productie van kennis in een specifieke historische periode te verklaren. Foucault huldigt hierbij het uitgangspunt dat kennis niet zomaar de resultante is van zelfstandige subjecten, maar dat kennis zelf een discursieve praktijk is. Theoretische objecten worden geconstrueerd in een discours en zijn nooit intrinsiek waar of vals (Howarth, 1998, p. 271).

Discours wordt volgens Foucault niet gevormd door 'a common object of investigation, or a shared style in producing statements, nor by a constancy of concepts, or reference to a common theme', maar wel door de regelmaat van de verspreide uitdrukkingen ('regularity of dispersed statements') (Howarth, 1998, p. 271). Dit betekent niet dat alle statements binnen een discours gelijklopend hoeven te zijn, maar wel dat de relaties en verschillen tussen de statements onderling systematisch en niet at random dienen te zijn (Hall, 1993, p. 292).

Om de discoursformatie te onderzoeken maakt Foucault gebruik van wat hij noemt 'archeologie' en 'genealogie'. Discours bestaat namelijk uit opspoorbare uitspraken, die zich op een specifieke plaatsen bevinden en gehanteerd worden die diegenen die geautoriseerd zijn om te spreken (een arts bijvoorbeeld). Foucault zal op zoek gaan naar als vanzelfsprekend aanvaarde praktijken en verschillende herkomsten ervan blootleggen om de vanzelfsprekendheid ervan de ontmaskeren en te de-essentialiseren.

Met de archeologische methode onderzoekt Foucault de discursieve bestaansvoorwaarden voor de productie van statements, objecten, theoretische thema's en strategieën in verschillende tijdperken. De focus van deze methode staat op de regels voor de vorming van discursieve praktijken, en het resultaat is een beschrijving van de 'discursive orders' en de bestaansvoorwaarden hiervan. Deze methode heeft te lijden onder een aantal problemen, zoals de voorkeur voor pure beschrijving ten nadele van interpretatie, het 'outsider'-standpunt van de archeoloog en de dubbelzinnige status van de onderliggende regels van de discoursformatie (Howarth, 1998, p. 286).

Deze problemen hebben Foucault - geïnspireerd door Nietzsche - tot de ontwikkeling van een tweede - genealogische - methode gebracht. Deze benadering gaat niet de formatieregels op zich bekijken, maar bestudeert het totstandkomen van deze formatieregels. Zij richt zich op de politieke en historische constructie van objectiviteit. Het is niet de bedoeling om een onveranderlijke realiteit te bevestigen, maar juist om de eventualiteit van de realiteit aan te tonen, en soms deze realiteit aan te vechten. De genealogische methode is veel meer dan de archeologische kritisch en betrokken, en meer interpretatief dan beschrijvend (Howarth, 1998, p. 286).

De twee methoden zijn volgens Foucault complementair, zoals ook Howarth beknopt stelt:

'Archaeology delimits a field of practices for investigation whereas genealogy endeavours to account for their emergence and installation.' (Howarth, 1998, p. 287)

2.1.3 Derrida

In het werk van Derrida is vooral de term 'deconstructie' van belang voor het theoretisch kader van DA. Zelf wil hij liever niet dat deconstructie onder de noemer methodologie valt, omwille van het belang dat hij hecht aan de specificiteit van elke afzonderlijke tekst:

'De wetten van het lezen worden bepaald door de particuliere tekst die gelezen wordt. Dit betekent niet dat we ons zonder meer aan de tekst moeten overgeven, of hem op een louter passieve manier weer te geven en te herhalen. Dit betekent dat we trouw moeten blijven, zelfs wanneer dit een bepaald geweld impliceert.' ((Kearney, 1984, p. 124) geciteerd in (Oger, 1991, p. 99))

Wel noemt Derrida de deconstructie soms 'agitatie' of een 'strategie', omdat de deconstructie zich richt tegen de metafysica3. Derrida gaat hierbij op zoek naar verschillen en contradicties binnen de metafysische teksten en zal proberen ze van binnenuit te desarticuleren. Hij wil met andere woorden de metafysica bestrijden met de middelen die de metafysica levert (Berns, 1981, p. 166). Hij demonteert de constructie van een betoog door de implicaties van de verschillende onderdelen tegenover elkaar uit te spelen (Schrover, 1989, p. 17).

Deze verschillen kunnen zich op meerdere vlakken situeren, zoals op het domein van de filosofische concepten, van de argumentatie en van de opbouw. Op het vlak van de filosofische concepten (zoals bijvoorbeeld het 'goede' of het 'zijn') zal Derrida betogen dat concepten niet uni-dimensioneel zijn, maar in relatie staan (of in een binaire oppositie staan) tot andere concepten, en ingebed zijn in denksystemen. De nagestreefde conceptuele homogeniteit wordt tegengesproken door de noodzakelijke relatie met andere concepten. Op het gebied van de filosofische argumentatie zal Derrida discrepanties aantonen tussen de expliciete intentieverklaringen van de auteur over hetgeen hij of zij wil argumenteren en de feitelijke argumentatie. De Saussure zal bijvoorbeeld de geschreven taal veroordelen, maar laat ze tegelijk een belangrijke rol spelen in de analyse van taalstructuren. De laatste, heterogene categorie - de opbouw - varieert van kritiek op het inconsistent woordgebruik tot verschillen tussen voorwoord en tekst of tussen titel en tekst (Gasché, 1987, p. 4-5).

De deconstructie heeft niet als bedoeling de metafysica te vernietigen - zoals de 'Destruktion der Metaphysik' van Heidegger wel poogt - omdat het volgens Derrida niet mogelijk is om buiten de metafysica te stappen: elk betekenis die we produceren staat 'binnen de feitelijke tekst van onze cultuur' (Berns, 1981, p. 166).

'Derrida cannot will himself out of this tradition [of rational thought], but he can expose the furtive assumptions which underlie its arrogance.' (Boyne, 1990, p. 90)

Eén principe geniet de bijzondere aandacht van Derrida; hij verzet zich namelijk tegen wat hij de 'filosofie van de aanwezigheid' ('la présence') noemt. Aanwezigheid suggereert namelijk dat iets (bijvoorbeeld het zijnde in de metafysica) bij iets of voor iemand aanwezig is. Het zijnde zal voor de mens, voor God, voor het subject denkbaar en transparant zijn. Hegel heeft de uiteindelijke implicaties van de metafysica van de aanwezigheid blootgelegd door te stellen dat het zijnde aan zichzelf aanwezig is, zichzelf denkt en dus geest is (Berns, 1981, p. 151). Deze fantasie van de aanwezigheid is volgens Derrida reeds terug te vinden bij Plato, bijvoorbeeld in de fabel van de grot:

'In his myth of the cave, Plato [...] speaks of the journey from darkness into the light, and he tells us that to stand in de light of the sun is to be dazzled by the full and immediate presence of justice, beauty and goodness.' (Boyne, 1990, p. 91)

Het logocentrisme (of de metafysica van de aanwezigheid) is ook terug te vinden in het empirisme en het positivisme, waar gesteld wordt dat de feitelijkheid in zichzelf haar waarheid bevat, en dus als absoluut criterium kan dienstdoen om ware en valse uitspraken te onderscheiden. (Berns, 1981, p. 151) Ook de droom van Wittgenstein over de universele taal, die de wereld betekent zonder deze te verbergen of vervormen, is een vorm van de filosofie van de aanwezigheid:

'The world represented by the language, unobscured by the language, would be perfectly present to the observing subject, who could then speak of what was seen.' (Boyne, 1990, p. 91)

Derrida probeert door middel van de deconstructie aan te tonen dat de aanwezigheid als ordenend principe het gevolg is van een keuze, en niet van een neutrale, door de natuur gegeven ordening (Schrover, 1989, p. 22). Derrida gaat er hierbij van uit dat de Westerse logica gestructureerd is in dichotomieën, zoals bijvoorbeeld:

'good vs evil, being vs nothingness, presence vs absence, truth vs error, identity vs difference, mind vs matter, man vs woman, soul vs body, life vs death, nature vs culture, speech vs writing.' (Schrover, 1989, p. 21)

Deze tegenstellingen noemt Derrida binaire opposities4. Een wezenlijk kenmerk van deze opposities is dat één van de 2 pijlers in de Westerse logica geprivilegieerd wordt. Goed wordt boven kwaad verkozen, zijn boven niet-zijn, ... Derrida toont echter aan dat het privilegiëren van welbepaalde pijlers van binaire opposities, steunt op een onderlinge relatie van uitsluiting en afhankelijkheid, en dat de dominante term de andere term nodig heeft om een volledige identiteit te verkrijgen. De zuiver hiërarchische verhouding tussen de binaire opposities is daardoor niet houdbaar (Howarth, 1998, p. 275).

In de strategie van de deconstructie kunnen twee momenten onderscheiden worden:

* In een eerste moment dienen de binaire opposities geïdentificeerd te worden en worden ze omgekeerd. 'Datgene wat verlaagd, verdrongen, uitgedrongen en gedeprecieerd wordt, wordt in de deconstructie verhoogd, hernomen, gerehabiliteerd en gerevaloriseerd.' (Oger, 1991, p. 105)

* In een tweede moment dient men de grenzen van het systeem te overschrijden, en moet de algemene logica, die de twee pijlers van de binaire oppositie samenhoudt, geanalyseerd worden. 'Men wil bijvoorbeeld een nieuw begrip voortbrengen, dat niet meer binnen het kader van het vroegere regime (hoofdzakelijk dat van de metafysica) kan worden begrepen.' (Oger, 1991, p. 105)

Howarth vat deze werkwijze als volgt samen:

'Derrida's double reading aims to pinpoint these oppositions, while endeavouring to reverse and to reinscribe their effects by articulating new conceptual 'infrastructures' which contain and redistribute the oppositions in different ways.' (Howarth, 1998, p. 287)

2.1.4 Laclau en Mouffe

In hun discourstheorie leggen Laclau en Mouffe de nadruk op sociale praktijken. Ze stellen dat alle sociale praktijken een gearticuleerd karakter hebben. Elk sociaal fenomeen kan beschreven worden zoals de Saussure taal beschrijft: als een geheel van verschillen waar de betekenis van een teken bepaald wordt in zijn relatie met andere tekens.

Het sociale is dus gestructureerd en gearticuleerd zoals een taal: de identiteit van een fenomeen krijgt pas betekenis in zijn relatie met andere fenomenen (Howarth, 1998, p. 272). Om deze reden spreken Laclau en Mouffe over discours als een geheel van differentiële posities. Het begrip discours wordt door hen ook omschreven als een gestructureerd geheel dat het resultaat is van articulatie (Laclau, 1985, p. 105). Articulatie wordt op zijn beurt gedefinieerd als:

'Any practice that establishing a relation among elements such that their identity is modified as a result of the articulary practice.' (Laclau, 1985, p. 105)

In een latere publicatie definieert Laclau discours als 'a structure in which meaning is constantly negotiated and constructed' (Laclau, 1988, p. 254). Deze systemen zijn dus niet vast en gefixeerd, maar kunnen geherdefinieerd of gere-articuleerd worden. Wel zijn ze gedeeltelijk gefixeerd, de overvloed aan betekenis zou anders elke betekenis onmogelijk maken (Laclau, 1985, p. 112).

Deze systemen blijven ook niet beperkt tot het innerlijke of het mentale, maar zijn materieel. Een differentiële positie (en bijgevolg een relationele identiteit) wordt bepaald door zowel de linguïstische als de niet-linguïstische objecten. Verder bouwend op het hierboven beschreven taalspel van Wittgenstein (over de bouwers A en B, zie 1) zeggen Laclau en Mouffe:

'What constitutes a differential position and therefor a relational identity with certain linguistic elements, is not the idea of building-stone or slab, but the building-stone or the slab as such. (The connection with the idea 'building-stone' has not, as far as we know, been sufficient to construct any building.)' (Laclau, 1985, p. 108)

Objecten zijn steeds objecten van discours (Laclau, 1985, p. 107). Dit betekent niet dat objecten niet (fysisch) bestaan buiten het discours, maar wel dat een discours nodig hebben om betekenis te krijgen:

'The discursive characterisation of objects does not deny their 'real existence' outside of discursive configurations, but, rather, denies their constitution as meaningful objects outside of discourse.' (Howarth, 1998, p. 274)

Om dit te verduidelijken gebruiken Laclau en Mouffe het voorbeeld van de aardbeving en de vallende steen:

'An earthquake or the falling of a brick is an event that certainly exists, in the sense that it occurs here and now, independently of my will. But whether their specificity as objects is constructed in terms of 'natural phenomena' or 'expressions of the wrath of God' depends upon the structuring of a discursive field.' (Laclau, 1985, p. 108)

Naast articulatie en discours gebruiken Laclau en Mouffe nog een aantal andere specifieke concepten, zoals elementen, momenten en knooppunten. Elementen zijn differentiële posities die (nog) niet in een discours gearticuleerd zijn, terwijl momenten differentiële posities zijn die al wel gearticuleerd zijn (Laclau, 1985, p. 105). Laclau en Mouffe verwijzen soms ook naar elementen als 'floating signifiers' (Laclau, 1985, p. 113). Hierbij is het van wezenlijk belang dat de overgang van elementen naar momenten nooit volledig is. Betekenis is nooit volledig open, noch volledig gesloten.

Een identiteit (geconstrueerd door een discours dat op zijn beurt uit momenten5 bestaat) is namelijk nooit veilig voor elementen vreemd aan dat discours. Er is steeds een surplus, een overschot aan elementen. Dit surplus noemen Laclau en Mouffe het 'field of discursivity' (Laclau, 1985, p. 111). Binnen dit veld proberen verschillende discours de dominantie te verwerven.

Zoals hoger reeds gesteld is betekenis wel gedeeltelijk gefixeerd (en dus gedeeltelijk gesloten). Want 'a discourse incapable of generating any fixity of meaning is the discourse of the psychotic' (Laclau, 1985, p. 112). Deze punten waar het discours wel (gedeeltelijk) gefixeerd is, noemen Laclau en Mouffe 'nodal points' of knooppunten, naar analogie van het concept 'points de capiton' van Lacan. Knooppunten zijn geprivilegieerde betekenaars die de betekenis van een keten van betekenis vastleggen (Laclau, 1985, p. 112).

'The practice of articulation therefore, consists in the construction of nodal points which partially fix meaning; and the partial character of this fixation proceeds from the openness of the social, a result, in its turn, of the constant overflowing of every discourse by the infinitude of the field of discursivity.' (Laclau, 1985, p. 113)

In de discourstheorie van Laclau en Mouffe spelen nog 2 andere begrippen een sleutelrol, namelijk 'antagonisme' en 'hegemonie'.

Traditioneel wordt antagonisme gezien als een botsing tussen sociale agenten die over een volledig uitgebouwde identiteit beschikken. Laclau en Mouffe stellen echter dat antagonisme belet dat sociale agenten deze volledig uitgebouwde identiteit kunnen bereiken (Howarth, 1998, p. 275): 'the presence of the 'Other' prevents me from being totally myself. The relation arises not from full totalities, but from the impossibility of their constitution.' (Laclau, 1985, p. 125) In de interpretatie van Laclau en Mouffe zit zowel een positief als een negatief element: antagonisme vormt identiteiten, maar destabiliseert ze ook (Howarth, 1998, p. 275). De antagonistische identiteiten hebben elkaar nodig, maar bedreigen elkaar tegelijkertijd. Howarth bespreekt als voorbeeld het antagonisme tussen management en mijnwerkers. Als gevolg van een bezuinigingsoperatie en dreigende ontslagen, ziet het management de vakbond en radicale mijnwerkers als een bedreiging voor het voortbestaan van de mijn, terwijl de mijnwerkers zichzelf zien als arbeiders die bedreigd worden door de sluiting van de mijn (Howarth, 1998, p. 276).

Op de vraag hoe antagonismen discursief worden geconstrueerd, verwijzen Laclau en Mouffe naar de logica van de equivalentie en de creatie van equivalentieketens. In dergelijke ketens worden verschillende identiteiten aan elkaar gelijkgesteld of equivalent gemaakt, en tegenover een andere negatieve identiteit geplaatst (Howarth, 1998, p. 277). Laclau geeft een voorbeeld van een mogelijke equivalentieketen:

'For instance, if I say that, from the point of view of the interests of the working class, liberals, conservatives, and radicals are all the same, I have transformed three elements that were different into substitutes within a chain of equivalence.' (Laclau, 1988, p. 256)

Howarth geeft een tweede voorbeeld, op basis van een pamflet van het Black People's Convention, gericht tegen het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime:

'And it is time that we got together as oppressed people - Africans, Coloured and Indians - who are affected by Apartheid, group area's, job reservation ... The injustices are endless. Our suffering is the same. We are all black people.' (Howarth, 1998, p. 277)

De equivalentielogica creëert uiteindelijk dus op basis van een equivalentieketen verschillen. In het voorbeeld hierboven wordt opgeroepen tot solidariteit (equivalentieketen) tegenover de blanke onderdrukking (verschil, negatieve identiteit). Daarnaast onderscheiden Laclau en Mouffe ook nog een logica van het verschil, waarbij bestaande equivalentieketens worden doorbroken, en de elementen worden opgenomen in een andere discursieve orde (Howarth, 1998, p. 277).

Het tweede centrale begrip naast antagonisme is hegemonie; een begrip dat ontleend is aan het werk van Gramsci. Hij definieert dit begrip in functie van de vorming van evenwichten en het zoeken naar compromissen, eerder dan als dominantie. Hegemonie verwijst naar het proces waarbij een sociale groep andere groepen beïnvloedt, en compromissen afsluit in ruil voor de instemming met de autoriteit en het leiderschap van deze sociale groep (Showstack-Sasson, 1982, p. 13-14). Het vereist met andere woorden dat er rekening gehouden wordt met de belangen en opvattingen van groepen waarover de hegemonie uitgeoefend wordt, zodat het afsluiten van een compromis mogelijk wordt. Hall stelt dat het concept 'ethische staat' cruciaal is in het denken van Gramsci over hegemonie: 'de onafgebroken arbeid ter constructie van een maatschappelijke autoriteit, dwars door alle niveaus van maatschappelijk handelen heen, 'opdat een moment van economische, politieke, intellectuele en morele eenheid' wordt gecreëerd' (Hall, 1991, p. 113).

Howarth beschrijft de invulling van dit begrip door Laclau en Mouffe als volgt: 'hegemonic practices are an exemplary form of political articulation which involves linking together different identities into a common project' (Howarth, 1998, p. 279). Het doel van hegemonische projecten is om zogenaamde knooppunten te construeren en te stabiliseren, die de basis vormen van een sociale orde (Howarth, 1998, p. 280).

Het hegemoniebegrip van Laclau en Mouffe lijkt sterk op de invulling die Gramsci eraan geeft. Het belangrijkste verschil met de theorie van Gramsci is echter dat deze laatste nog wel vasthoudt aan de essentiële rol van de arbeidersklasse en aan de dominantie van de economische activiteit (Howarth, 1998, p. 280). Laclau en Mouffe verwerpen deze marxistische restanten in het werk van Gramsci als essentialisme (Laclau, 1985, p. 138).

Hegemonische praktijken veronderstellen een open systeem waardoor articulatie mogelijk wordt. In een gesloten systeem zou er alleen sprake zijn van herhaling en kan niets gehegemonizeerd worden (Laclau, 1985, p. 134). Louter articulatie is echter niet voldoende om van hegemonie te spreken, volgens Laclau en Mouffe dient de articulatie tot stand te komen door een confrontatie van antagonistische, articulerende praktijken:

'In other words, that hegemony should emerge in a field of criss-crossed by antagonisms and therefore suppose phenomena of equivalence and frontier effects. But, conversely, not every antagonism supposes hegemonic practices.' (Laclau, 1985, p. 135)

Laclau en Mouffe stellen expliciet dat er 2 voorwaarden zijn om te spreken van hegemonische articulatie: de aanwezigheid van antagonistische krachten en de instabiliteit van de grenzen tussen de verschillende antagonistische kampen. Laclau geeft als voorbeeld de betekenaar 'vrouw':

'For example, I would say that the concept of hegemony is perfectly relevant to feminism because feminism can only exist in a hegemonic space. Consider the signifier 'woman': what is its meaning? Taken in isolation it has no meaning; it must enter into a set of discursive relations to have some meaning. But, on the one hand, 'woman' can enter into a relation of equivalence with family, subordination to men, and so on; on the other hand, 'woman' can enter into discursive relations with 'oppression', 'black people', 'gay people', and so on. The signifier 'woman' in itself has no meaning. Consequently, its meaning in society is going to be given only by an hegemonic articulation.' (Laclau, 1988, p. 254)

2.2 Basisconcepten van KDA

Het hierboven gegeven theoretisch overzicht biedt een veelheid aan zogenaamde 'sensitising concepts'6, die de onderzoeker in staat stellen om zijn of haar aandacht toe te spitsen op mogelijk relevante elementen in het empirisch materiaal (Van Den Bergh, 1997, p. 189). Binnen KDA is er een grote verscheidenheid aan dergelijke 'sensitising concepts' beschikbaar, afkomstig uit een al even grote variëteit aan wetenschappelijke disciplines: antagonisme, hegemonie en macht uit de politieke wetenschappen, deconstructie van binaire opposities en archeo-genealogie uit de filosofie, subjectiviteit en identificatie uit de psychoanalyse en teken, betekenaar en betekenis uit de linguïstiek en semiologie (Sayyid, 1998, p. 260).

Binnen de KDA zal een onderzoeker kijken hoe een discours binnen een specifieke historische context gestructureerd wordt, hoe de verschillende elementen in een discours worden ingepast en gearticuleerd. Hij of zij zal nagaan hoe de coherentie van de sociale praktijken wordt geconstrueerd, en wat de grenzen van het discours zijn (of wat met andere woorden het discours tot een geheel maakt):

'The discursive approach [...] focuses on the way in which communities construct their limits; their relationship to that which they are not or what threatens them; and the narratives which produce the founding past of a community, its identity, and its projections of the future.' (Sayyid, 1998, p. 261)

KDA legt bij deze analyse een aantal specifieke klemtonen. Eén daarvan is macht, waarbij een dubbele focus mogelijk is: de analyse van de 'macht in het discours' enerzijds en van de 'macht over het discours' anderzijds (Wodak, 1996, p. 18). Met het eerste wordt de machtsuitoefening binnen een specifiek discours bedoeld, terwijl de macht over het discours verwijst naar de constructie van discursieve praktijken en van de zogenaamde 'orders of discourse'. Nauw verwant met het concept macht is hegemonie. Het belang van dit laatste concept vloeit voort uit de verwerping van het essentialisme, waardoor het noodzakelijk wordt om een verklaring te leveren voor het tijdelijk sluiten van een systeem. Een hegemonisch project is immers pas succesvol - zo stellen Sayyid en Zac - als het er ten eerste in slaagt om de eigen regels, logica en begrenzingen door een gemeenschap te laten aanvaarden als de 'natuurlijke' regels, logica en begrenzingen en als het er ten tweede in slaagt andere concurrerende projecten te doen 'vergeten'. Een hegemonisch project zal er echter nooit in slagen de andere troonpretendenten te doen verdwijnen, waardoor het project ook nooit tot volledige stabiliteit en geslotenheid zal kunnen komen (Sayyid, 1998, p. 262).

Naast macht en hegemonie zijn ook subject en identiteit sleutelbegrippen. Habermas betoogde dat sinds Kant het subject ontdubbeld is: enerzijds is het subject een empirisch subject, een object onder de andere objecten in de wereld, en anderzijds is het een transcendentaal subject, dat zich tegenover de wereld bevindt (Keulartz, 1992, p. 262). KDA verwerpt het beeld van het soevereine subject én van het subject dat een speelbal van structuren is, maar stelt dat een subject zijn identiteit verwerft door het proces van identificatie, binnen een bepaald discours.

Sayyid en Zac stellen dat het concept identiteit binnen KDA op twee manieren gebruikt wordt: ten eerste als de manier waarop sociale agenten geïdentificeerd worden en zichzelf identificeren binnen een bepaald discours. Ten tweede is dit concept verwant met de eenheid van een object of subject. Tegelijk stellen zij ook dat het identificatieproces nooit voor volledige identiteiten kan zorgen, door de onvermijdelijke afstand tussen de verworven identiteit en het subject. Anders gesteld, het subject is altijd iets meer dan zijn of haar identiteit (Sayyid, 1998, p. 263).

Bovendien hebben subjecten meerdere identiteiten: 'as a student at university, as an employee or employer in the workplace, a husband or wife at home, a mother or child in a family, a Conservative or Labour supporter at election times.' (Sayyid, 1998, p. 264) Gezien het onstabiele karakter van elk discours, zijn ook identiteiten veranderlijk. Hoe stabieler een discours, of anders gezegd, hoe meer een hegemonisch project succes heeft, hoe minder ruimte voor verandering in identiteiten. Sayyid en Zac ondersteunen deze redenering met een verwijzing naar het Nazi-discours:

'Nazi discourse, for example, inscribed a certain scope for identification: as a member of the Aryan race, a soldier of the Reich, a worker labouring for the common good, as a true believer of national socialism. In these logics, the identity of a subject would be inscribed within a certain hierarchical order: as a man or woman in the Aryan community, as a general or private in the German army, as a worker or manager in industrial relations. There was even scope for indifference. Certain forms of identification, however, as Jews, Gypsies, communists or disabled, were strictly excluded from the community. According to Nazi discourse, such groups threatened the purity of the Aryan nation, so they fell outside the limits of the community as defined by the discourse. Moreover, the tight hold of Nazi discourse meant that anybody who challenged that exclusion, defying the Nazi diktat against identification with the victims of Nazism, would also be excluded by marginalisation or death.' (Sayyid, 1998, p. 264)

2.3 Voorbeelden van KDA

2.3.1 Foucault: 'Histoire de la sexualité'

'Histoire de la sexualité' is Foucault's laatste grote werk, en bestaat uit drie delen: 'La volonté du savoir', 'L'usage des plaisirs' en 'Le souci de soi'. Het eerste deel van Histoire de la sexualité start in de Renaissance, maar behandelt vooral de 18de en de 19de eeuw, de andere - later gepubliceerde delen - behandelen de rol van seksuele zaken in de levensstijl van het klassieke Griekenland van de vijfde en begin vierde eeuw voor christus, in de Romeins-Helleense cultuur van de eerste en tweede eeuw na christus en in de vroeg-christelijke cultuur van de derde en vierde eeuw (Karskens, 1986, p. 194).

In dit werk bekijkt Foucault seks niet als een praktijk, maar 'als het thema van een veelvormige discursieve praktijk' (Merquior, 1988, p. 118). Foucault ziet seks als ons permanente geheim, waarover we steeds moeten praten (Karskens, 1986, p. 155). Of zoals Merquior verder opmerkt:

'Hij wilde vasthouden aan een historische analyse van een bijzondere ervaring: het zelfbesef van het individu als een subject van seksualiteit' (Merquior, 1988, p. 123).

Op basis van tekstanalyses gaat Foucault kijken hoe verschillende culturen technieken ontwikkelen die sociale normen in verband met seksueel gedrag doen verinnerlijken. Foucault zal dus proberen door middel van zijn archeo-genealogische methode het discours van de seks en de achterliggende technieken van de macht te relateren aan de houding van het subject ten opzichte van seksualiteit in de hedendaagse Westerse Wereld.

In 'La volonté du savoir' koppelt Foucault het 'mis en discours' van de seksualiteit aan twee vormen van waarheidsspreken: de bekentenis en de wetenschap, en hun combinatie, de 'scientia sexualis'. Foucault beschrijft hoe in de christelijke moraal de aandacht voor de seksuele daad werd uitgebreid naar alles wat met seks te maken kan hebben (zoals begeerte, gedachten, dromen, geneugten, ...), hoe de Griekse aandacht voor matigheid en zelfbeheersing werd verengd tot seksuele zaken, hoe het zelfonderzoek wordt verfijnd in de biecht, met seks als centraal onderwerp, hoe de biecht wordt overgenomen door niet-kerkelijke structuren, en hoe de bekentenis wordt ingepast in het wetenschappelijk discours (Karskens, 1986, p. 155).

Foucault legt bijvoorbeeld een belangrijke rol weg voor de biecht en het zelfonderzoek in het Christendom. Terwijl voor (ongeveer) 1550 het toezicht van de Kerk op seks slechts beperkt kon gebeuren in de jaarlijkse biecht, worden op het concilie van Trente (1545-1563) nieuwe procedures gekozen om het kerkelijk personeel te zuiveren. Dit hield dat uitgebreide technieken van zelfonderzoek, biecht en oefenen van het geweten in de seminaries en kloosters werden geïntroduceerd. De vroegmoderne Westerse mens ging de zondigheden van zijn intenties nauwkeurig onderzoeken, en de 'vleselijke gevoelens' bestuderen (Merquior, 1988, p. 119). Foucault stelt dat dit biechtgedrag - ondanks een vergaande secularisatie - tot op heden een integraal bestanddeel is van het moderne leven:

'De biecht heeft haar gevolgen in alle richtingen verbreid. Zij speelt een rol in het recht, de geneeskunde, het onderwijs, de familieverhoudingen en liefdesrelaties, in de meest alledaagse aangelegenheden, en in de meest plechtige rituelen; men bekent zijn misdaden, zijn zonden, zijn gedachten en verlangens, zijn ziekten en problemen. [...] Men erkent tegenover zichzelf, in lust en pijn, die dingen die men onmogelijk aan iemand anders zou kunnen vertellen, die dingen waar men boeken over schrijft. [...] De Westerse mens is een biechtend dier geworden.' ((Foucault, 1978, p. 58), vertaald in (Merquior, 1988, p. 119))

In een artikel uit 1981 in de 'London Review of Books' zal Foucault wijzen op het feit dat het Christendom een religie is die waarheidsverplichtingen oplegt. Niet alleen worden Christenen verplicht een aantal uitspraken (dogma's) voor waarheid aan te nemen, bepaalde boeken als permanente bronnen van waarheid te aanvaarden en beslissingen van bepaalde autoriteiten als waarheid aan te nemen, maar bovendien heeft de gelovige in het Christendom de plicht om te onderzoeken wie hij/zij is, wat er in hem/haar omgaat, welke fouten gemaakt en welke verleidingen doorstaan werden. Daar wordt aan toegevoegd dat gelovigen verplicht worden deze zaken aan anderen door te vertellen, en dus eigenlijk tegen zichzelf te getuigen. ((Foucault, 1981) geciteerd in (Merquior, 1988, p. 132-133))

De individuele, subjectieve bekentenis wordt ingeschreven in het wetenschappelijk discours, en wordt een geordende en gereglementeerde waarheid. Deze verbinding komt tot stand door het bekentenisproces te koppelen aan een beoordeling (zoals biografische vragenlijsten, hypnose, vrije associatie, ...), door de opvatting dat seks een overal werkzaam maar verhuld object is en door de methode van de hermeuse, waarin de waarheid pas duidelijk wordt voor de spreker als ze geduid wordt door de bevoegde autoriteit (de arts, bijvoorbeeld) (Karskens, 1986, p. 155).

In het kader van de archeo-genealogische methode gaat Foucault ook terugkijken in de geschiedenis; zo wijst hij bijvoorbeeld op het ontstaan van het concept 'populatie' in de achttiende eeuw. In deze eeuw werd de bevolking doelgroep van onderzoek. Een voorbeeld hiervan is het werk van Malthus, die wees op een exponentiële toename van de bevolking en een rekenkundige toename van de voedselproductie als verklaring van hongersnoden. De bevolking en haar voortplantingsgedrag werden onderwerp van onderzoek en administratie; seksualiteit was niet langer iets waarover men oordeelde, maar iets dat men beheerde:

'Menswetenschappen als de psychologie, de geneeskunde en de demografie grepen het 'opgebiechte' lichaam aan als een object van sociale aandacht en overheidsmanipulatie. Opnieuw ging de macht een cruciaal verbond aan met de kennis.' (Merquior, 1988, p. 120)

In de 19de eeuw zal de bourgeoisie uit zelfverheerlijking (en niet als wapen tegen de lagere klassen) het heteroseksuele monogame paar als standaard van de moraal en als steunpilaar van de samenleving uitroepen, waarbij elke andere vorm van seks als tegennatuurlijk en als een gevaar voor de samenleving gezien wordt (Merquior, 1988, p. 122). Dit betekent echter niet dat het discours over seks verstomt. Foucault wijst juist op een explosieve toename van dit discours, weliswaar in de vorm van quasi-wetenschappelijke kennis. In deze periode werden verschillende perversies gecreëerd, zoals bijvoorbeeld de homoseksueel. Voor de 19de eeuw bestonden er natuurlijk wel homoseksuele praktijken, maar de homoseksueel als perversie en als identiteit is een 19de eeuwse constructie.

Het gevolg van deze historische evoluties is het ontstaan van de begrippen 'seks' en 'seksualiteit', waarbij anatomie, biologische functies, verlangens en genot samen gegroepeerd worden. Volgens Foucault is dit geen natuurlijke eenheid, maar een historisch specifieke constructie. Zoals Merquior het stelt: 'volgens Foucault is het discours niet de temmer, maar de uitvinder van de seks.' (Merquior, 1988, p. 122) Foucault maakt een onderscheid tussen een oude 'bloedsamenleving, bepaald door een krijgerethiek, een angst voor hongersnoden met marteling als strafmethode, en een seksuele samenleving, de wetenschappelijke cultuur van biopolitiek en normaliserende disciplines' (Merquior, 1988, p. 123).

In 'L'usage des plaisirs' en 'Le souci de soi' gaat Foucault nog verder terug in de tijd en bestudeert hij prescriptieve7 klassieke teksten. Foucault ontkracht de mythe dat in de Oudheid seks een positieve betekenis had, en in de Christendom met zonde en kwaad werd geassocieerd (Karskens, 1986, p. 194). In de Oudheid werd het monogame paar gezien als het juiste model van liefde en voortplanting en er was lof voor kuisheid en onthouding (Merquior, 1988, p. 125). Het cruciale verschil is dat dit model niet werd gezien als een morele code die aan iedereen moest worden opgelegd, en dat dit model niet in wetteksten werd omgezet.

Ondanks het feit dat de Grieken groot belang hechtten aan matigheid en zelfbeheersing8, veroordeelden zij het toegeven aan de begeerte niet. Het betekende wel een zelfgekozen slavernij, maar het was geen 'schandvlek, geen teken van verdoemenis' (Merquior, 1988, p. 130). Seks en liefde werden niet losgekoppeld van genot. Wel was er een dualisme aanwezig tussen de 'vulgaire' en de 'nobele' liefde.

Onder het Christendom wordt liefde uniform (zonder het onderscheid tussen de 'vulgaire' en de 'nobele' liefde ) en losgekoppeld van genot. Bovendien ontstond het dualisme tussen het toegestane heteroseksuele genot en het verboden homoseksuele genot (Merquior, 1988, p. 131). Sinds dit vroegchristelijke denken is Eros verdacht en is de esthetica van het genot vervangen door 'een pijnlijke aan censuur grenzende, repressieve introspectie van zijn ontaarde begeerte' ((Foucault, 1981), geciteerd in (Merquior, 1988, p. 134)). Een voorbeeld dat Foucault bespreekt is terug te vinden bij Augustinus, in het veertiende boek van 'De stad Gods':

'Met een dramatische draai aan het oude idee dat de coïtus een kleine epileptische aanval is, schreef Augustinus dat de seksuele handeling een verschrikkelijke kramp is, en het lichaam doet schokken met afzichtelijke spiertrekkingen.' (Merquior, 1988, p. 134)

2.3.2 Derrida: Grammatologie

De analyse van Derrida van het werk van de Saussure verloopt via de regels van de deconstructie. Hij zal eerst vertrekken van de stellingen van de Saussure, deze uitdiepen en op zoek gaan naar hun implicaties. Daarna zal hij de interne spanningen van de tekst blootleggen (Berns, 1981, p. 154).

Een sleutelelement in de analyse van Derrida is het 'spoor'. In de theorie van de Saussure impliceert het teken een verwijzingsrelatie: er is een arbitraire verwijzing van de betekenaar naar de betekende en een differentiële verwijzing van het teken naar een ander teken (Boyne, 1990, p. 105). Deze verwijzingsrelatie noemt Derrida het spoor. Berns probeert dit concept te verduidelijken aan de hand van de voetafdruk van een dief:

'Die indruk verwijst naar de dief. Maar zij verwijst naar de dief die afwezig is. Het spoor is dus een vertegenwoordiging, een plaatsvervanger, een aanwezigheid van de dief in zijn afwezigheid. Het is een aanwezigheid van een afwezige dief, juist omdat het de dief zelf niet is, maar slechts een verwijzing naar hem.' (Berns, 1981, p. 150)

In de metafysica verwijst het teken naar - en wordt op deze manier afhankelijk van - een extern bron (de zogenaamde referent, zie 2.1.1), die het fundament voor de betekenis levert. Het spoor is uitwisbaar, aangezien de referent blijft bestaan. Taal dient volgens dit denken enkel om 'als plaatsvervanger van de niet-aanwezige dingen op te treden, om te re-presenteren, of om opnieuw present te maken. Het teken betekent en dient in dit betekenen restloos op te gaan.' (Oger, 1991, p. 113). De waarde van het teken zit volgens dit denken in de surrogaat-aanwezigheid van het referent, die de echte aanwezigheid slechts uitstelt.

Derrida daarentegen stelt dat het spoor ingegrift is; er is pas betekenis als het spoor in de materialiteit van de ingriffing vastligt. Het teken is steeds als teken gegeven, en kan niet samenvallen met een natuur, of geest, of met iets dat geen teken is (Berns, 1981, p. 156). De betekende wordt geconstitueerd door het spoor, en niet door de referent. Derrida verwerpt hiermee de zienswijze op taal als 'transcendentaal betekenende': een element kan niet naar zichzelf verwijzen, het is steeds opgenomen in een keten van differenties. Hierdoor bevindt de betekende zich ook in de positie van betekenaar: het ene teken verwijst naar het andere teken, en wordt daardoor betekenaar:

'De betekenaar 'karrenspoor' heeft de 'kar' als betekende; doch de 'kar' is weer betekenaar van de 'boer', enzovoort. Elk teken betekent dus een ander teken en is dus teken van een teken. Het betekende zonder meer bestaat dus niet. Want het is steeds ook een betekenaar van een nieuw betekende, die op zijn beurt de betekenaar van een weer andere betekende is, enz. enz. Het ontvouwt dus een verwijzingsspel dat nooit tot rust komt.' (Berns, 1981, p. 159)

Volgens Derrida volstaat het tekenbegrip van de Saussure niet en om de synthese van de betekenaar en de betekende, waarbij de betekende betekenaar kan worden, te benoemen spreekt Derrida van 'gramma' (Berns, 1981, p. 160).

In plaats van de 'transcendentaal betekenende' stelt Derrida dat betekenis zowel in ruimte als in tijd geconstrueerd wordt, zonder (volledig) afhankelijk te zijn van deze externe bron. De betekenis-constructie in de ruimtelijke zin gebeurt door het onderscheid met betekenaars buiten de tekst, de betekenis-constructie in temporele zin gebeurt door betekenaars die later nog toegevoegd kunnen worden (Schrover, 1989, p. 42).

De eerste constructie-vorm noemt Derrida 'différence'; dit begrip verwijst naar het saussuriaanse thema van differentie: betekenis kan niet tot stand komen buiten een feitelijke tekst, een 'feitelijk weefsel van differente elementen.' (Berns, 1981, p. 163) Daarnaast gaat hij ervan uit dat de betekenis nooit af en nooit volledig is. Ze blijft ons ontsnappen. Het teken komt nooit tot rust, en het spoor van een ander - misschien toekomstig teken blijft. (Berns, 1981, p. 163). Er is de constante wisselwerking van betekende naar betekenaar. Deze tweede constructie-vorm benoemt Derrida met de term 'différance'.

2.3.3 Hall: Thatcherisme

In zijn analyse van de overgang naar de Britse Conservatieve partij van een 'One nation Tory party' en een verdediger van de welvaartsstaat, naar een verdediger van de vrije markt en een radicale criticus van dezelfde welvaartsstaat, maakt Hall gebruikt van een aantal concepten uit de theorie van Laclau en Mouffe. Hall toont namelijk aan hoe het nieuwe hegemonische project van Thatcher opgebouwd wordt rond een aantal knooppunten (Howarth, 1998, p. 280).

Volgens Hall heeft het Thatcherisme een alternatief blok geconstrueerd met thema's als anti-etatisme, anti-collectivisme, anti-voortschrijdend-socialisme en anti-het-machtsblok, waardoor ze zich richtte tegen de sociaal-democratische regeringen van 1966-1970 en 1974-1979 (Hall, 1991, p. 115-116) en tegen de regering van Edward Heath, een conservatief die zich eerder in het politieke centrum bevond en een regering leidde van 1970-1974.9 Tegenover deze negatieve pool plaatste het Thatcherisme het bezitterig individualisme, het persoonlijk initiatief en vrijheid:

'Op die manier kon Labour worden gerepresenteerd als een deel van de grote slagorden van de staat tegenover de kleine man (en zijn gezin), die wordt onderdrukt door een inefficiënte overheidsbureaucratie. De sociaal-democratie werd vereenzelvigd met het machtsblok, terwijl mevrouw Thatcher de eer kreeg aan de kant van het gewone volk te staan. Op die wijze kon het thatcherisme de tegenstelling tussen volk en machtsblok neutraliseren.' (Hall, 1991, p. 122)

Concrete voorbeelden van deze equivalentieketens en antagonisme zijn volgens Hall op verschillende vlakken terug te vinden. Voorbeelden hiervan zijn het Thatcheriaanse discours over het onderwijs en de verzorgingsstaat. Op het gebied van het onderwijs wordt door dit discours de kwaliteit van het onderwijs en het gezag in de klas naar voor geschoven, met als centrale figuur de bezorgde ouder. Deze ouder ziet een harde competitieve realiteit, zonder garanties voor een goed bestaan van het eigen kind. Hij of zij zal moeten bewerkstelligen dat het eigen kind een behoorlijke opleiding krijgt, los van het lot van de andere kinderen. Tegenover die bezorgde ouder, de condensatie van het bezitterige individu, staat de anti-autoritaire en radicale opvoeder in een school zonder discipline, die 'maar raak experimenteert' (Hall, 1991, p. 124-125).

Op het gebied van de verzorgingsstaat is het discours van het thatcherisme opgebouwd rond de spilzieke staat, die de rijkdommen van het land vergooit en die de zelfvoorzienendheid van de gewone mensen ondermijnt. Dit discours wordt versterkt door het discours over de profiteur, waarschijnlijk van buitenlandse origine, die van de gemeenschap leeft zonder maar ook een dag te werken (Hall, 1991, p. 125).

Dit laatste element verwijst naar een ander knooppunt dat Hall identificeert, namelijk het 'Englishness' of 'Britishness'. Dit element verwijst naar wat Hall het culturele racisme noemt (Hall, 1991, p. 125), en naar de verdediging van een specifieke manier van Brits-zijn, naar het Engelse gevoel weer 'Groot te zijn' (Hall, 1991, p. 152):

'Het cultureel racisme is een van zijn [het thatcherisme] meest machtige, hardnekkige, effectieve - en minst opgemerkte - bronnen van kracht geweest. Juist om die reden is Englishness, als een geprivilegieerde en restrictieve culturele activiteit, een strijdpunt aan het worden voor die vele gemarginaliseerde etnische en raciale groepen in de samenleving die zich daardoor uitgesloten voelen. Zij houden vast aan een andere vorm van raciale en ethische identificatie en benadrukken culturele diversiteit als een doel van de samenleving in de nieuwe tijden.' (Hall, 1991, p. 152)

2.4 Methodologie voor KDA

Eén van de grote zwakheden van KDA is het gebrek aan duidelijkheid over de te hanteren methodologie. In een evaluatie van de theorie van Laclau en Mouffe stelt Howarth bijvoorbeeld:

'[...] Laclau and Mouffe need to lay down, however minimally, a set of methodological guidelines for practitioners, as well a set of questions and hypotheses (à la Lakatos) for clarification and development. Thus far, the only clear methodological rule consists in a non-rule': rules can never be simply applied to cases, but have to be articulated in the research process. [...] The lack of adequate responses to the epistemological and methodological questions pose significant problems for researchers working within discourse theory.' (Howarth, 1998, p. 291)

Laclau en Mouffe pleiten vanuit hun discourstheorie voor de articulatie van de theoretische concepten binnen elke specifieke empirische onderzoeksvraag. Hoger werd reeds Derrida geciteerd die verwees naar de specificiteit van elke lezing (zie 2.1.3), maar ook Foucault heeft gewezen erop dat elke genealogie een specifieke 'history of the present' is. Juist de verwerping van het essentialisme maakt dat bijna alle discourstheoretici pleiten voor een zo open mogelijk theoretisch kader, afgestemd op de specifieke onderzoeksvragen, wat de methodologieontwikkeling uitermate bemoeilijkt (Howarth, 1998, p. 288).

Desondanks deze moeilijkheden bieden Foucault en Derrida, vooral in hun later werk, wel een aantal methodologische aanknopingspunten. Zowel de archeo-genealogische methode van Foucault en de deconstructie, werden hierboven kort besproken (zie respectievelijk 2.1.2 en 2.1.3).

Tot slot moet opgemerkt worden dat ook binnen KDA een voorkeur blijkt te bestaan voor de analyse van teksten. De methodologie voor het uitschrijven van gesproken taal en het werken met transcripten wordt in 3.4 besproken. Wel merkt Silverman op dat in KDA10 de transcripten aanzienlijk minder precies worden uitgeschreven dan in bijvoorbeeld CA (Silverman, 1994, p. 121).

3. Conversatieanalyse

3.1 Begripsverduidelijking

Een conversatie kan simpelweg gedefinieerd worden als een gesprek. Er is altijd meer dan één persoon bij betrokken, er is tenminste één gesprekspartner. Met andere woorden een monoloog is dus geen conversatie. Conversaties kunnen in allerlei situaties tussen allerlei personen plaatsvinden en conversatieanalisten maken dan ook onderscheid tussen 'natuurlijke' en 'institutionele' conversaties. Een 'natuurlijke' conversatie is een informeel en meestal spontaan gesprek, waarbij de gesprekspartners zelf het gesprek moeten organiseren, van moment tot moment (zoals een gesprek tussen vrienden). Een 'institutionele' conversatie is een veel formeler gesprek, vaak in een institutionele setting (zoals bijvoorbeeld dokter-patiënt gesprekken, jobsollicitaties, klassegesprekken of televisieinterviews). De (ongeschreven) gespreksregels en -rollen zijn hier formeler: vaak staat al vast wie vraagt en wie antwoordt, wie het gesprek begint en wie het eindigt.

Over de term conversatieanalyse (CA) bestaat heel wat meer verwarring:

'it is important to point out that the name of this research tradition, conversation analysis, is something of a misnomer and can lead to some confusion as to the phenomena under investigation and their analytic conception.' (Pomerantz, 1997, p. 64)

CA is als onderzoek van aspecten van informele, natuurlijke conversaties ontstaan in het begin van de jaren zestig, op een interdisciplinair terrein tussen linguistiek (Austin) en sociale wetenschappen (Garfinkel, Sacks, Goffman). Meer en meer is CA zich ook gaan toespitsen op formele, institutionele conversaties. Deze context-gebonden verruiming van CA vloeit voort uit de meer sociaalwetenschappelijke benadering. CA is zowel georiënteerd op verbale als op paralinguïstische (geluidsoverdracht, pauzes, herhalingen) karakteristieken van taal. Verschillende conversatieanalisten betrekken eveneens elementen als lichaamsgebaren en lichaamshouding bij hun onderzoek naar het gebruik van taal in conversaties (Pomerantz, 1997, p. 65).

De definitie van CA is sinds het ontstaan ervan aanzienlijk geëvolueerd. Begin jaren 70 hebben de onderzoekers in hoofdzaak interesse voor de fonologische analyse en linguïstische variaties van gesproken communicatie ('oral communication'). In de loop van tijd worden aan dit methodologisch kader steeds meer socioculturele variabelen (zoals bijvoorbeeld gender) toegevoegd. Eind jaren 70-begin jaren 80 is de volgende definitie van CA in omloop:

'Conversational analysis' is een poging de manieren te formuleren waarop mensen erin slagen een herkenbaar redelijk gesprek met elkaar te voeren.' (Ten Have, 1979, p. 63)

Het gaat in deze definitie van CA duidelijk om meer dan een analyse van taaluitingen; ook de manieren waarop mensen een 'herkenbaar redelijk gesprek' trachten te voeren worden in beschouwing genomen. De interactie tussen de actoren en de verschillende rollen en functies van die actoren (de 'micro-context') worden in het analysekader van CA opgenomen. Gesprekken worden namelijk gezien als heldere illustraties van de wijze waarop processen van sociale interactie gestructureerd worden.

'[...] actual conversation is always 'situated', always comes out of, and is part of, some real sets of circumstances of its participants.' (Sacks, Schegloff et al., 1978, p. 10)

Daarna worden concepten uit onder andere de sociale psychologie en de sociologie in de socio-linguistieke benadering geïntroduceerd. De 'Lebenswelt' van Habermas en ook 'het symbolisch kapitaal' van Bourdieu worden bijvoorbeeld vaak binnen CA als theoretische concepten gehanteerd (Wodak, 1996, p. 5). Naast dagelijkse gesprekssituaties worden ook institutionele gesprekken tot het onderzoeksdomein beschouwd. Zowel de locatie (het klaslokaal, de tv-studio, de dokterskamer) als de situationele setting (in welke situatie bevinden de actoren zich), maar ook de plaats van deze locatie en de actoren in de samenleving (de 'macro-context') verruimen het analysekader van CA (Wodak, 1996, p. 21).

'Rather than working with a conception of context in which some pre-established social framework is viewed as "containing" the participants' actions, the CA perspective treats each action within a sequence of actions as both context shaped and context renewing.' (Heritage, 1991, p. 94)

De 'context' kan dus in deze ontwikkeling van CA niet meer als vanzelfsprekend beschouwd worden.

'The core analytic objective [of CA] is to illuminate how actions, events, objects, etc. are produced and understood rather than how language and talk are organised as analytically separable phenomena.' (Pomerantz, 1997, p. 65)

De laatste jaren wordt CA als methode vaak gebruikt in de communicatiewetenschap, om bijvoorbeeld praatprogramma's en nieuwsinterviews te analyseren.

3.2 Theoretische ondersteuning van CA

3.2.1 Wittgenstein

De filosoof Wittgenstein bekijkt taal en het gebruik van taal vooral als een levensvorm. Taal sticht en onderhoudt gemeenschap, verstandhouding, begrip, en dergelijke (maar kan evengoed het tegengestelde effect creëren). Alles wat als wereld of werkelijkheid wordt aangemerkt komt tot ons via de taal (Wittgenstein, 1976, p. 13). Een vraag die Wittgenstein zichzelf telkens stelde is 'wat het eigenlijk wil zeggen iets te zeggen'.

Wittgenstein benadrukt dat er talloze soorten woorden en zinnen zijn:

'Er zijn vele talloze verschillende manieren om dat te gebruiken wat wij "tekens", "woorden", "zinnen" noemen. En deze verscheidenheid is niet iets dat vastligt, iets dat voor eens en voor al gegeven is, maar er ontstaan steeds nieuwe taaltypen, nieuwe taalspelen zouden we kunnen zeggen, en andere raken in onbruik en worden vergeten.' (Wittgenstein, 1976, p. 42)

Wittgenstein gebruikt het concept 'taalspel' hier om het actieve karakter van het spreken van een taal te beklemtonen. Het leren van een taal bestaat naast het benoemen van dingen ook uit het hanteren van de gereedschappen van de taal.

Om op het voorbeeld van één van de 'taalspelen' van Wittgenstein terug te komen, dat aangehaald werd in de inleiding van dit hoofdstuk (zie 1): het uitroepen van de woorden 'blok', 'pilaar', plaat' of 'balk' betekent meer dan de woorden op zichzelf. Door 'plaat !' te roepen geeft A een verkorte vorm weer van de zin 'Breng mij een plaat!', B heeft echter aan 'plaat' genoeg om te weten dat hij in actie moet komen. 'Plaat!' wordt hier gebruikt in contrast met de andere zinnen die tot de mogelijkheden van de taal behoren, waarmee hetzelfde bedoeld kan worden of waarmee iets anders gezegd kan worden (Wittgenstein, 1976, p. 39-42). Dat wat uitgesproken wordt, hangt vaak samen met wat er in het verleden uitgesproken is en met wat er door een ander synchronisch of opvolgend uitgesproken wordt. Wittgenstein laat hiermee inzien dat taaluitingen enkel betekenis krijgen als we ze beschouwen in een specifieke situatie en als we erkennen dat ze verankerd zijn in een bepaalde cultuur en/of ideologie (Wodak, 1996, p. 19).

'Wanneer filosofen een woord gebruiken -"kennis", "zijn", "object", "ik", "bewering", "naam" - en het wezen van het ding trachten te vatten , vraag je dan altijd af: wordt dat woord in de taal waarin het thuis hoort inderdaad ooit zo gebruikt? - Wat wij doen is de woorden van hun metafysische gebruik weer terugbrengen naar hun gebruik van alledag.' (Wittgenstein, 1976, p. 85)

3.2.2 Austin

Naast Wittgenstein is ook Austin van fundamenteel belang voor de ontwikkeling van CA. De Engelse taalfilosoof Austin heeft er als eerste nadrukkelijk op gewezen hoe het gebruik van taal kan beschouwd worden als een vorm van sociaal handelen. Binnen de door Austin ontwikkelde Speech act theory staat de gesproken taal centraal (Austin, 1962). Austin onderzoekt welke functies men met de taal vervult terwijl men communiceert. Spreken is volgens hem niet alleen iets zeggen maar ook iets doen. Het spreken zelf vormt een activiteit, maar kan ook meer inhouden dan de activiteit van het spreken. Spreken is een vorm van handelen: door middel van een verbaal proces kan een intentie worden gerealiseerd. Iemand heeft de intentie een vraag te stellen, een waarschuwing te uiten of een verzoek te formuleren en zal deze intentie realiseren door middel van een taaluiting ('utterance'). Taaluitingen hebben dus een bepaald doel, al is het maar om de conversatie gaande te houden.

In eerste instantie maakte Austin enkel een onderscheid tussen 'constatieve' en 'performatieve' taaluitingen. Constatieve uitingen ('constative utterances') zijn uitingen die op empirische gronden waar of vals zijn (bijvoorbeeld: 'het regent'). Bij performatieve uitingen ('performative utterances') is dit onderscheid tussen waar of vals niet relevant. Performatieve uitingen voldoen volgens Austin aan de volgende voorwaarden:

a. 'they do not 'describe' or 'report' or constate anything at all, are not 'true' or 'false', and

b. the uttering of the sentence is, or is a part of, the doing of an action, which again would not normally be described as saying something.'(Austin, 1962, p. 5)

Performatieve uitingen beschrijven dus niets, ook geen handeling. Het spreken is hier zelf een handeling. Voorbeelden van performatieve taaluitingen zijn talrijk. In de inleiding van dit hoofdstuk werd al het bekende voorbeeld 'I do' - uitgesproken tijdens een huwelijksceremonie - aangehaald. Maar ook de uitspraak 'Wedden dat het morgen zal regenen' wordt een performatieve taaluiting genoemd. Of 'Ik verklaar de oorlog aan...'. Dergelijke uitingen betekenen méér dan zomaar iets zeggen: ze houden een belofte of een verklaring in, die een nieuwe situatie tot gevolg kan hebben. Austin maakt zelf nog het onderscheid tussen impliciete en expliciete performatieve uitingen.

'Impliciete performatieve uiting: Ik zal morgen komen.

Expliciete performatieve uiting: Ik beloof dat ik morgen aanwezig zal zijn.'

Een impliciete performatieve uiting is minder bindend en eenduidig dan een expliciete performatieve uiting. Terwijl 'Ik zal morgen komen' zowel als belofte, maar ook als waarschuwing of voorspelling geïnterpreteerd kan worden, heeft 'Ik beloof dat ik morgen aanwezig zal zijn' een veel directere en eenduidiger interpretatie (Van Poecke, 1991, p. 98).

Er is een duidelijke evolutie merkbaar in de gedachtegang van Austin. Hij begint zelf meer en meer te twijfelen aan de houdbaarheid van de oppositie tussen constatieve en performatieve uitingen. Want wat hij voordien als een constatieve uiting had beschouwd ('de aarde draait rond de zon') kan eigenlijk ook als een impliciete performatieve uiting gezien worden. Want, zegt Austin:

'We see then that stating something is performing an act, just as much as is giving an order or giving a warning.' (Austin geciteerd in (Van Poecke, 1991, p. 99))

Iedere taaluiting is met andere woorden een performatief proces, een vorm van handelen. Doordat het onderscheid tussen constatief en performatief in zijn terminologie vervaagt, gaat Austin op zoek naar andere begrippen. Hij constateert dat iedere taaluiting eigenlijk de volgende drie handelingen realiseert:

1. een locutieve handeling ('locutionary act'): de handeling van iets te zeggen;

2. een illocutieve handeling ('illocutionary act'): de handeling die de spreker verricht met iets te zeggen, namelijk het intersubjectief realiseren van een intentie (iets stellen, beweren, beloven, ..)

3. een perlocutieve handeling ('perlocutionary act'): de handeling die de spreker verricht door iets te zeggen, nl. het effect van de uiting op de gevoelens, gedachten en handelingen van de ontvanger (Van Poecke, 1991, p. 99-100).

Het volgende voorbeeld illustreert dit onderscheid tussen de soorten handelingen die één taaluiting realiseert:

'Uiting: 'Ik betaal het je terug'

Locutie: 'Hij zei dat hij het mij zou terugbetalen'

Illocutie: 'Hij beloofde mij dat hij het zou terugbetalen'

Perlocutie: 'Hij overtuigde mij dat hij het mij zou terugbetalen.' (Harnisj en Koj, geciteerd in: (Van Poecke, 1991, p. 100))

Taalhandelingen zijn duidelijk van elkaar te onderscheiden en vormen eigenlijk ook de regels van het spel, de taal. De gebruikers van de taal passen deze regels dagelijks toe.

Alhoewel de speech act theorie van Austin zijn beperkingen kent en zij de laatste jaren ook wat van haar elan heeft verloren, is zij niet meer weg te denken uit de CA. Searle (1979/1981) heeft zich onder andere toegelegd op een typologie van illocutieve handelingen en op de manier waarop deze gerealiseerd worden. Hij toonde aan dat het belangrijk is om te beseffen dat de grammaticale zinsstructuur niet noodzakelijk overeenkomt met de aard van de handeling (Van Poecke, 1991, p. 100). Met bijvoorbeeld de vraag 'Heb je de vraag goed begrepen?' kan de spreker niet alleen een vraag, maar ook een verwijt realiseren en de ontvanger kan deze uiting ook op die manier opvatten.

3.2.3 Habermas

In zijn 'Theorie des kommunikativen Handelns' probeert Habermas een verklaring te zoeken voor het samenbindende karakter van de samenleving. Hij komt tot de conclusie dat deze sociale binding tot stand komt door taalhandelingen van mensen die tot een consensus willen komen. De door hem gebruikte term 'Verständigung' verwijst zowel naar overeenstemming als naar wederzijds begrip. Hij gaat nog een stap verder als hij stelt dat consensus van nature uit en als primaire doelstelling in de taal is ingebouwd (De Jong, 1997, p. 294-295).

 

Volgens Habermas kunnen personen over 3 werelden of domeinen iets zeggen:

* De objectieve, fysieke wereld

* De sociale wereld: de verhouding tot de ander

* De subjectieve, psychische wereld: met taal een gevoel uitdrukken (De Jong, 1997, p. 295)

Hieraan gekoppeld zijn de 3 verschillende geldigheidsaanspraken, die met een taalhandeling in het gedrang gebracht (kunnen) worden:

* De waarheid van de propositionele inhoud (met betrekking tot de standen van zaken in de werkelijkheid die een spreker naar voren brengt)

* De juistheid van de normatieve context (waarin de gesprekspartners zich bevinden)

* De waarachtigheid of authenticiteit van de intenties (die in het gesprek tot uitdrukking worden gebracht) (Keulartz, 1992, p. 255)

Afhankelijk van het werkelijkheidsdomein waarover mensen iets zeggen, hanteren ze andere geldigheidsaanspraken: uitspraken over de objectieve wereld beroepen zich op waarheid, uitspraken over de sociale wereld beroepen zich op de juistheid ervan en uitspraken over de psychische wereld beroepen zich op authenticiteit (De Jong, 1997, p. 295).

Een toehoorder hoeft geen blind vertrouwen te hebben in de geldigheidsaanspraken van de spreker. De toehoorder kan namelijk altijd vragen deze - aan de taalhandeling verbonden - geldigheidsclaims met argumenten te ondersteunen en in een discussie (een 'Diskurs') op hun houdbaarheid te toetsen. Aan de hand van deze argumenten en tegenargumenten zullen de deelnemers aan dit discours uiteindelijk tot een consensus komen, die op zijn beurt beschouwd kan worden als een criterium voor de rechtvaardiging van een betwiste geldigheidsclaim.

Dit laatste kan echter pas als de situatie voldoet aan de ideale gesprekssituatie (IGS), als iedereen evenveel recht heeft om mee te spreken, en om argumenten aan te dragen, als iedere deelnemer absoluut onpartijdig is en als er geen machtsverschillen zijn tussen de verschillende deelnemers (De Jong, 1997, p. 296). Alleen op deze manier kan gegarandeerd worden dat er geen relevante argumenten worden uitgesloten en dat er geen dwang uitgeoefend wordt buiten de 'dwangloze dwang van het betere argument' (Keulartz, 1992, p. 255-256).

Deelnemers aan een gesprek kunnen deze voorwaarden niet voorafgaand aan een taalhandeling toetsen, op het moment dat ze zich laten overtuigen moeten ze daarom veronderstellen dat aan de voorwaarden van de IGS voldaan is. Habermas noemt dit de anticipatie op de IGS. Achteraf blijkt maar al te vaak dat de consensus bereikt werd met strategische middelen en niet met communicatieve middelen. Anticipatie op de IGS heeft daarom vaak een contrafactisch karakter. De IGS is dus tegelijk fictief en aanwezig, daarom spreekt Habermas van 'de factische kracht van het contrafactische' (Keulartz, 1992, p. 256). De IGS is als model steeds in de communicatie aanwezig, zo niet wordt communicatie zelf onmogelijk gemaakt. Bovendien heeft men achteraf nog de mogelijkheid om een bereikte consensus in twijfel te trekken:

'Vooruitlopend op de IGS kan men kritisch terugkomen op een eerder bereikte consensus en deze als resultaat van een schijndiscussie aan de kaak stellen.' (Keulartz, 1992, p. 256)

Habermas wil de indruk vermijden dat de IGS een blauwdruk is voor een ideale samenleving; hij verkiest een inhoudelijke neutraliteit met betrekking tot de IGS. De IGS is alleen maar een formele procedure voor de vaststelling van normen; hoe die normen er inhoudelijk uit moeten zien is afhankelijk van de discussies tussen de gesprekspartners (Keulartz, 1992, p. 258).

Juist die weigering om normatieve gevolgtrekkingen te maken heeft kritiek uitgelokt. Bijvoorbeeld Honneth stelt dat het strikte onderscheid tussen inhoudelijke en formele aspecten niet houdbaar is, en dat de IGS wel degelijk gevolgen heeft voor de normatieve infrastructuur van samenlevingsvormen. Deze normatieve interpretatie, waartegen Habermas zich verzet, en de aandacht voor de macro-context, leidt er wel toe dat dit concept in het KDA-vaarwater komt.

'Deze idee kan immers slechts empirisch gerealiseerd worden in de mate waarin de mogelijkheid voor alle betrokkenen om op basis van gelijkwaardigheid aan machtsvrije discussies deel te nemen ook institutioneel gewaarborgd is. Alle leden van een samenleving moeten in staat gesteld worden zich de sociaal beschikbare kennis en kundigheden eigen te maken die nodig zijn om aam discussies deel te nemen. Ze moeten bovendien als toerekeningsvatbare en competent oordelende personen erkend en serieus genomen worden, opdat ze het zelfrespect kunnen verwerven dat nodig is om hun intuïties en overtuigingen in het openbaar kenbaar te maken en met kracht van argumenten te verdedigen.' ((Honneth, 1986, 187-188) vertaald door (Keulartz, 1992, p. 258))

In het verlengde van deze normatieve benadering van het werk van Habermas gebruikt Wodak de IGS als toetssteen om strategisch handelen in communicatie (of zoals Wodak het omschrijft, 'vervormde communicatie') op te sporen:

'A comparison of everyday situations with the ideal speech situation where no power relations exists allows us to detect distorted communication, to make transparent the impact of ideology and domination.' (Wodak, 1996, p. 30)

Het communicatieve handelen in de IGS steunt immers op de mogelijkheid om de juistheid, waarheid en waarachtigheid van taalhandelingen te betwijfelen en aan de spreker te vragen om deze geldigheidsaanspraken te ondersteunen met argumenten in een discours. Vervormde communicatie, gestuurd door private belangen en ongelijke machtsverhoudingen zal leiden tot een valse consensus (Wodak, 1996, p. 30).

3.2.4 Harold Garfinkel

Binnen de sociale wetenschappen, en met name de etnomethodologie, werden er ook begin jaren 70 impulsen gegeven om interactieprocessen (zoals conversaties) te analyseren. Garfinkel is één van de voorlopers van deze andere tak binnen CA.

Etnomethodologie is een interpretatieve benadering binnen de sociologie, waarbij het dagelijks leven centraal staat en ontleed wordt als een aangeleerde bezigheid. Eén van de uitgangspunten is de veronderstelling dat de leden van een samenleving beschikken over gemeenschappelijke, meestal niet uitgesproken kennis, die zij op eenzelfde wijze gebruiken bij het interpreteren van de werkelijkheid. Eén van de leidende ideeën binnen de etnomethodologie is dat de werkelijkheid geen objectieve zelfstandige realiteit is, maar een door en door sociale realiteit, die eerder het resultaat is van sociale interactie en van interpreterende activiteit dan dat ze daaraan vooraf zou gaan. Met andere woorden de sociale interactie resulteert als 'accomplishment' uit sociale interactie en wordt in interactie tot stand gebracht (Hardeveld, 1980, p. 5-6). Tegen deze achtergrond beschouwen etnomethodologen conversaties als waardevolle bronnen voor empirisch onderzoek. De etnografie van de communicatie bestudeert met andere woorden de manier waarop in een taalgemeenschap het verbale gedrag geregeld wordt, door dit in relatie te brengen met andere sociale en culturele praktijken (Van Poecke, 1991, p. 104). Om op een gepaste manier te kunnen communiceren binnen een taalgemeenschap is meer nodig dan alleen de kennis van de taal. Ook de kennis van een bepaalde cultuur met bijbehorende communicatie- en interactieregels is noodzakelijk.

Bij het Outpatient Psychiatric Clinic in Los Angeles heeft Garfinkel onder andere onderzoek verricht naar de manier waarop de opname van nieuwe patiënten gebeurde. Hij analyseerde de 'intake'-interviews tussen artsen en patiënten, en bekeek welke ongeschreven selectiecriteria zij hanteren om hun (toekomstige) patiënten te klassificeren. De duur van de gesprekken tussen arts en patiënt bleek afhankelijk te zijn van een aantal variabelen als geslacht, klasse, leeftijd, opleiding, interesses. Uit verdere analyse bleek ook dat, in dergelijke gesprekken, antwoorden altijd werden gezien als antwoorden-op-de-gestelde-vraag. Ook zonder dat het uitgesproken werd dachten de gesprekspartners te weten wat de andere met het antwoord precies bedoelde (Garfinkel, 1967, p. 89).

Garfinkel heeft met zijn analyses van zowel gewone als institutionele gesprekken het concept 'common or mutual understanding' verfijnd. Uit analyse van dagelijkse gesprekken bleek namelijk dat gesprekspartners vaak heel wat aspecten uit een gesprek begrepen, zonder dat deze aspecten daadwerkelijk uitgesproken werden. Heel wat aspecten bleken voor de gesprekspartners begrijpbaar, juist op basis van wat niet uitgesproken werd. Daarnaast worden er in een gesprek heel vaak (vage) verwijzingen gegeven naar eerdere situaties, elementen die enkel begrijpbaar zijn voor de gesprekspartner in kwestie (Garfinkel, 1967, p. 39-40).

'Mutual understanding is thus a methodological achievement employing the resources provided by the mechanisms of conversational interaction.' (Zimmerman and Boden, 1991, p. 10)

De bronnen voor 'mutual understanding' zijn terug te vinden in de opeenvolging van (inter)acties ('sequencing') binnen een conversatie. De manier waarop een conversatie door de opeenvolging van deze interacties gestructureerd wordt hangt af van de mate waarop elke actie gescherpt en aangescherpt wordt tijdens het gesprek (Zimmerman and Boden, 1991, p. 10). De 'sequentie' wordt gevormd door het telkens beginnen van een actie en het antwoord daarop, en op basis van deze opeenvolging van sequenties ('sequential organisation') wordt duidelijk hoe de deelnemers van een conversatie op elkaar reageren en interveniëren en vooral hoe zij elkaar begrijpen (Garfinkel, 1967, p. 38-40).

3.2.5 Sacks & co

Terwijl Garfinkel door velen eerder als voorloper van de CA beschouwd wordt, wordt Sacks meestal de 'echte' grondlegger genoemd (onder andere door Pomerantz en Silvermann). Sacks ontmoette Garfinkel tijdens zijn studies in Los Angeles. Hij merkte dat er bepaalde gelijkenissen waren tussen de structuren van bepaalde maatschappelijke systemen (zoals rechtspraak) en de structuren van het alledaags handelen. Op basis hiervan probeerde hij een, op empirie gebaseerd, beschrijvend onderzoek van het menselijk gedrag uit samen met enkele medecollega's (Jefferson, Pomerantz, Schegloff).

Zij richtten hun aandacht op het Los Angeles Suicide Prevention Center, waar alle telefoonoproepen van de noodlijn opgenomen werden. Uit de analyse van deze gesprekken zijn twee basisveronderstellingen van CA ontwikkeld (Pomerantz, 1997, p. 68). De eerste veronderstelling is gebaseerd op de termen die mensen gebruiken om zichzelf en anderen te categoriseren. Bellers naar de noodlijn van het Suicide Prevention Center beschreven en/of verwezen naar zichzelf en anderen tijdens het telefoongesprek. Aangezien er heel wat manieren zijn om zichzelf en anderen te categoriseren (bijvoorbeeld vrouw, socialist, rosse, zij, filmfanaat, student), vroeg Sacks zich af of er een bepaalde organisatie of rangschikking aanwezig is in het gebruik van categorieën. Het volgende transcript dient ter illustratie:

'A: You don't have anyone to turn to?

C: No

A: No relatives, friends?

C: No.' (Sacks, 1972: 4, geciteerd in: (Pomerantz, 1997))

Ingaand op de vraag of de beller niemand heeft waar hij of zij zich tot kan richten vroeg het team van de noodlijn naar 'familieleden' of 'vrienden'. Met andere woorden: 'familieleden of vrienden zijn categorieën van personen tot wie men zich richt als men problemen heeft. Sacks ziet hierin al een duidelijke verklaring voor de manieren waarop mensen hun dagelijks handelen in de samenleving structureren. De manier waarop we categoriseren toont hoe we de rechten en plichten van personen binnen die categorieën beschouwen en interpreteren. Op de vraag 'U heeft niemand tot wie u zich kan richten' zal niet als tweede vraag komen 'Geen mannen, geen vrouwen?' of 'Geen socialisten, geen liberalen?'

De tweede veronderstelling heeft te maken met de sequentiële ordening van taaluitingen ('sequential placement of utterances'). De aard van de beurt van een spreker is bepalend voor de mogelijkheden die zijn/haar opvolger tot zijn/haar beschikking heeft: op een groet volgt normaal gezien een wedergroet; op een vraag een antwoord of een weigering tot antwoord. Hoe taaluitingen begrepen worden hangt vast aan de volgorde waarin ze uitgesproken worden. Als iemand zegt 'Ik ook, ik heb er twee genomen' is dat alleen maar begrijpelijk als je weet dat er voorafgaand aan die uitspraak iemand was die zei 'Ik ben langs de dienst Inschrijvingen geweest en heb een inschrijvingsformulier gehaald' (Pomerantz, 1997, p. 67). Wat de ene spreker zegt bepaald dus vaak wat de andere gaat zeggen of, omgekeerd, wat de andere zegt vindt zijn verklaring in wat de ene gezegd heeft (Van Poecke, 1991, p. 119).

Het is vooral deze tweede veronderstelling waar Sacks zich samen met zijn collega's verder in heeft verdiept. Uit de wijze waarop gesprekspartners hun taaluitingen opeenvolgend ordenen en interpreteren kunnen ook conclusies getrokken worden over de manier waarop de sociale werkelijkheid voor deze partners gestructureerd is. Dat neemt niet weg dat Sacks ook geïnteresseerd is in wat er inhoudelijk gezegd wordt; de sequentiële ordening van taaluitingen wordt niet alleen qua vorm, maar ook qua inhoud geanalyseerd. Maar formuleert Sacks, samen met Schegloff en Jefferson:

'Since conversation [...] is a vehicle for interactions in which persons in varieties of identities and varieties of groups of identities are operating, since it is sensitive to the various combinations, and since it is capable of dealing with a change of situation within a situation, there must be some formal apparatus that is itself context-free, that by virtue of the ways in which it is context-free can in local instances of its operations be sensitive to, and exhibit its sensitivity to, various of its parameters of social reality in a local context.' (Sacks, Schegloff et al., 1978, p. 10)

Sommige aspecten van de organisatie van conversatie hebben, volgens Sacks, een context-vrije status. Deze aspecten kunnen uit hun 'context' gehaald worden en zijn repetitief. Zij maken deel uit van het proces van conversatie. Eén van de manieren waarop de gesprekspartners in het algemeen een gesprek tot een proces organiseren is het systeem van beurtwisseling ('turntaking') van Sacks, Schegloff en Jefferson (Hardeveld, 1980, p. 6).11. Zij stelden vast dat in elke natuurlijke conversatie waar beurtwisseling plaatsvindt ongeschreven regels terug te vinden zijn. Zij structureerden deze 'ongeschreven' regels in een beurtwisselingssysteem met twee basiscomponenten en 14 regels ('rules').

Beurtwisselingssysteem

Component 1: beurt-opbouwcomponent

Volgens Sacks kan een beurt geconstrueerd worden door om het even welke syntactische eenheid (woord, zinsdeel, zin). Het feit dat iemand een beurt heeft, geeft hem/haar het recht om een dergelijke eenheid te gebruiken en ze ook af te maken. De voltooiing van zo'n eenheid vormt een punt in de conversatie waar een beurtwisseling of -overdracht kan plaatsvinden. Een dergelijk punt wordt een overdrachtrelevante plaats ('transition-relevance place') genoemd.

Component 2: beurt-toekenningscomponent

Er zijn twee soorten technieken van beurttoekenningen te onderscheiden: (a) de huidige spreker kiest de volgende spreker; (b) de volgende spreker duidt zichzelf aan (Sacks, Schegloff et al., 1978, p. 12).

Regels

De regels ('rules')bepalen hoe de twee componenten gehanteerd zullen worden, meer bepaald hoe de beurten worden toegewezen.

1. Beurtwisseling komt minstens eenmaal voor in een natuurlijke conversatie;

2. In de meeste gevallen wordt er niet tegelijk gesproken, ieder spreekt op zijn beurt;

3. Overlappingen zijn niet ongewoon, maar van korte duur;

4. Beurtwisselingen zonder pauze en zonder overlapping zijn vrij algemeen voorkomend;

5. De volgorde van beurten staat niet vast maar varieert;

6. De duur van beurten staat niet vast maar varieert;

7. De lengte van conversatie is niet vantevoren vastgelegd;

8. Wat gesprekspartners zeggen is niet vantevoren vastgelegd;

9. De distributie van beurten is niet vantevoren vastgelegd;

10. Het aantal participanten is niet vastgelegd;

11. Het spreken kan zowel continu als discontinu zijn; continu betekent dat de beurtwisseling gebeurt met een minimum aan overlappingen of normale korte pauzes. Discontinu betekent dat op een overdrachtrelevante plaats toch geen beurtwisseling plaatsvindt: wat volgt is een gat in het gesprek, de spreker is gestopt en er dient zich geen opvolger aan;

12. Technieken van beurttoekenning worden veelvuldig gebruikt: een spreker kan een volgende spreker aanduiden (bijvoorbeeld door een gerichte vraag te stellen); deelnemers kunnen zichzelf aanduiden, gewoon door het woord te nemen;

13. Verschillende technieken van beurtopbouw worden ook gebruikt. Een beurt kan één woord lang zijn, of verschillende lange zinnen in beslag nemen;

14. Verschillende correctiemechanismen kunnen in werking treden op het moment dat de beurtwisseling verkeerd gaat. Bijvoorbeeld als twee sprekers tegelijk aan het woord zijn, kan één vroegtijdig stoppen om zo de fout te corrigeren. (Sacks, Schegloff et al., 1978, p. 11).

Het beurtwisselingssysteem zoals dat door Sacks en zijn collega's is uitgewerkt is vrijwel volledig gebaseerd op vormen van 'natuurlijke' conversatie. Zij proberen de context (zowel van situationele als van sociaal-psychologische of culturele aard) zoveel mogelijk buiten beschouwing laten, juist om na te gaan hoe gesprekspartners zonder enige vorm van dwang communiceren en converseren. Een dergelijke laboratoriumsfeer van conversatie bestaat echter niet of nauwelijks: in elke vorm van conversatie zijn wel contextgebonden factoren te vinden die de analyse zullen kunnen beïnvloeden (Van Poecke, 1991, p. 128-129). Heritage en Greatbach hebben het beurtwisselingssysteem van Sacks in zekere mate geïnstitutionaliseerd door het ook toe te passen en verder te ontwikkelen in functie van institutionele conversatie (Heritage, 1991).

Een punt van discussie is eveneens dat de CA zoals die hier door Sacks & co verder ontwikkeld werd weinig aandacht heeft voor de ontvangerszijde tijdens de conversatie. De partners worden voornamelijk in hun sprekende rol bekeken, terwijl tijdens het spreken van één deelnemer de ontvanger(s) niet stilzit(ten). Door middel van nonverbale processen en verbale minimale antwoorden (zoals 'ja', 'juist', 'zeker', 'hmm') geeft de ontvanger constant feedback. Dergelijke minimale antwoorden worden door verschillende onderzoekers als een beurt gezien (onder andere (McLaughin, 1984)), terwijl anderen menen dat dit geen volwaardige beurt genoemd kan worden (zie onder andere (Duncan and Fiske, 1977)).

3.3 Basisconcepten van CA

Het belangrijkste concept van CA is opgebouwd rond de structuur van gesprekken. Spreken vertoont volgens conversatieanalisten stabiele, georganiseerde patronen. CA focust zich dan ook vooral op de interactie: de sequentiële ordening (zie 3.2.5). De fundamentele bouwsteen van een sequentiële organisatie bestaat uit wat men 'adjacency pairs' (aangrenzende paren) heeft genoemd. Dergelijke bijeenhorende taaluitingen zijn onder andere groet en wedergroet, vraag en antwoord. De aard van de beurt van een bepaalde spreker is namelijk bepalend voor de aard van de beurt van de volgende spreker. Iedere beurt vindt dus zijn verklaring in andere beurten. De deelnemers zijn constant aan het interpreteren, interpreteren soms verkeerd en moeten dan corrigeren. Op basis van coöperatie en coördinatie en komen ze gezamenlijk tot een reeks van verbale en nonverbale processen die een geordend karakter hebben, kortom tot een conversatie (Van Poecke, 1991, p. 120).

Dit concept van sequentiële organisatie is zowel contextvrij als contextgebonden. Contextvrij omdat het inzicht wil geven in de structuur van natuurlijke conversatie, ongeacht allerlei culturele of sociale factoren die hierbij een rol kunnen spelen. Maar ook contextgebonden, omdat het concept wel de mogelijkheid biedt om rekening te houden met situationele factoren waarmee een deelnemer tijdens een concrete conversatie geconfronteerd wordt. Context wordt hier gebruikt in de volgende betekenis:

'"context" is treated as both the project and the product of the participants' own actions and therefore as inherently locally produced and transformable at any moment.' (Heritage, 1991, p. 94-95)

Een voorbeeld van Heritage kan dit misschien illustreren:

'Spreker A: 'Waarom kom je mij niet eens van tijd tot tijd opzoeken?'

Op deze vraag kan B(1) antwoorden: 'Het spijt me erg, maar ik heb het de laatste tijd verschrikkelijk druk gehad.'

Ofwel B(2) zegt: 'Dat zal ik graag doen.' (Heritage geciteerd in (Van Poecke, 1991, p. 121)

In het geval van spreker B(1) kan de situatie uitgelegd worden als een gesprek tussen bijvoorbeeld een moeder die zich verwaarloosd voelt en een dochter die te weinig langs komt. Terwijl bij spreker B(2) het een situatie zou kunnen zijn waarbij iemand een vriend die hij al lange tijd niet meer gezien heeft tegen het lijf loopt en door hem wordt uitgenodigd.

Aan de hand van het beurtwisselingssysteem van Sacks & co zijn verschillende concepten van CA verder uitgewerkt. Het relevantieprincipe heeft Schegloff (1987) op punt gesteld.

'The relevance of particular social-structural categories on a given occasion consists in the way the participants in the interaction display to one another their orientations to those categories in a manner that is consequential for their interaction.' (Schegloff, 1987, geciteerd in (Wilson, 1991, p. 25))

Gesprekspartners proberen tijdens hun conversatie zo 'relevant' mogelijk te zijn. Elke (inter)actie van een deelnemer grijpt terug op de vorige (inter)actie en toont al iets van de volgende (inter)actie(s). Het woordje 'ja' dat iemand in een gesprek te berde brengt betekent vaak zowel 'ja, ik heb het begrepen' als 'ja, en ga verder'. Bij vrijwel elke beurtwisseling wordt aangetoond hoe een vorige interactie begrepen is en hoe men het gesprek wil verder zetten.

Het begrip 'adjacency pair' verwijst zoals eerder gezegd naar twee bijeenhorende taaluitingen. De coherentie tussen deze twee taaluitingen wordt aangegeven met de term 'conditionele relevantie'. Daarmee wordt verwezen naar de verwachtingen die een eerste taaluiting oproepen ten aanzien van een volgende taaluiting. Sommige taaluitingen (zoals een uitnodiging, een aanbod of een verzoek) kunnen wel verschillende taaluitingen oproepen. Op een uitnodiging kan namelijk zowel een acceptatie als een afwijzing volgen, op een verzoek zowel een inwilliging als een afwijzing. Als de bijeenhorende taaluiting niet uitgesproken wordt, vraagt dit om een verklaring. De gesprekspartner zal op zoek gaan naar een mogelijke interpretatie van het niet uitspreken van de verwachte taaluiting (Springorum, 1979, p. 203).

Openingssequenties, eerste verkennende taaluitingen in een gesprek, worden door veel conversatieanalisten als vrij belangrijk beschouwd. Juist omdat in die eerste sequenties van een gesprek de aard van de gespreksrelatie wordt afgetast, alsook de identificatie en de beschikbaarheid van de gesprekspartner(s). Gesprekspartners proberen vaak in de eerste zinnen uit hoeveel ze moeten zeggen om begrijpelijk te zijn. Typerend voor gespreksopeningen is dat mensen er in verwijzen naar hun gemeenschappelijke geschiedenis ('relationele relatie'), als ze die hebben. Is het bewuste gesprek het eerste tussen deze deelnemers dan wordt in de opening al aansluiting gezocht met de een of andere herkenbare vorm voor het type gesprek dat men wil gaan voeren ('institutionele relatie'). In de openingssequenties wordt dus onderhandelingsgewijs vastgesteld wat voor het gesprek nodig is.

In een telefoongesprek is bijvoorbeeld in de openingssequentie meestal een vast patroon terug te vinden: O-A-I-R (oproep - antwoord - identificatie - respons) (Ten Have, 1979, p. 64).

B:

---------

 

Dag, met Iris

 

Ik bel om te zeggen

V:

 

Van Dijk

 

Hé Iris

 
 

O

A

I

R

 

B = beller, V = opnemer

In het bovenstaande voorbeeld is de eerste uiting van B de oproep zelf, dit is nog een anonieme oproep: B belt, maar heeft zich zelf nog niet geïdentificeerd. Dat gebeurt pas in haar volgende uiting. B's derde uiting kan dan als een volgende oproep, maar nu geïdentificeerd naar gespreksonderwerp opgevat worden.

3.4 Transcripts

'Onder een transcriptie verstaan we een zo objectief mogelijke schriftelijke weergave van het verbale en non-verbale gedrag van de participanten in het interactieproces.' (Hardeveld, 1980, p. 9)

3.4.1 Gegevensverzameling

Om conversaties te kunnen analyseren zijn uiteraard data nodig. Terwijl de etnografen vooral gebruik maakten van eigen (veld)nota's werken conversatieanalisten met opnamemateriaal, waardoor gesprekken in detail en telkens opnieuw beluisterd kunnen worden. Via vooral audio- en visuele opnames trachten onderzoekers een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van alle aspecten van de conversatie. Volledigheid is op zich al problematisch: zelfs audio- en visuele opnames kunnen conversaties niet volledig vastleggen (problemen van ruis, storingen, plaats van de microfoon, plaats van de camera) (Baeyens, 1979, p. 18). Maar daarnaast geven dergelijke opnames wel herhaalbare toegang tot specifieke details van menselijke interactie.

'In sum, the use of record data serves as a control on the limitations and fallibilities of intuition and recollection; it exposes the observer to a wide range of interactional materials and circumstances and also provides some guarantee that analytic considerations will not arise as artefacts of intuitive idiosyncrasy, selective attention or recollection, or experimental design.' (Heritage and Atkinson, 1984:4, geciteerd in: (Heath, 1993, p. 308)).

Video- of audio-opnames kunnen in bepaalde settings ook problematisch werken: een camera in een klaslokaal kan er bijvoorbeeld toe bijdragen dat kinderen zich anders gaan gedragen dan dat ze in normale omstandigheden zouden doen. Opname-apparatuur kan door sommigen gezien worden als een inbreuk op de privacy, en bovendien wordt de anonimiteit van de deelnemers door video-opnames in gevaar gebracht.

Naast dergelijke opnames wordt in bepaalde gevallen ook nog gebruik gemaakt van veldobservaties: nota's van de onderzoekers over specifieke aspecten van de conversatie, die niet direct zicht- of hoorbaar zijn (zoals bijvoorbeeld extra gegevens over de participanten) (Pomerantz, 1997, p. 70).

3.4.2 Gegevensverwerking

Uiteraard is voor de analyse van een conversatie de schriftelijke weergave van zoveel mogelijk aspecten van deze conversatie noodzakelijk. Een transcriptiesysteem heeft dan ook de bedoeling om een reeks taalklanken en gedragingen zo 'volledig' mogelijk weer te geven. Er bestaan verschillende soorten transcriptiesystemen (protocollen), afhankelijk van de vereisten van het onderzoek naar de gevoerde conversatie. Minimale protocollen gaan uit van geluidsopnames en beschrijven zoveel mogelijk de hoorbare aspecten van conversatie, inclusief pauzes, haperingen, beurten, en dergelijke. Uitgebreide protocollen bieden bovendien nog iets extra: bijvoorbeeld de weergave van non-verbale en/of fonetische (klemtonen, uitspraken) en prosodische (onder andere snelheid, ritme, geluidsintensiteit, duur van pauzes) gegevens (Baeyens, 1979, p. 20-21). Voor de codering van non-verbale gegevens is audiovisuele apparatuur bijna noodzakelijk.

Hieronder een voorbeeld van een vrij gedateerd transcriptsysteem van Birdwhistell (1973), waarbij ook gelaatsuitdrukkingen en lichaamshoudingen opgenomen werden in het transcript (Hardeveld, 1980, p. 19).

Een bruikbaar transcriptiesysteem moet volgens Baeyens in ieder geval aan een aantal vereisten voldoen:

1. Uit het transcript moet de concreet gerealiseerde klankvorm afleidbaar zijn. Bij het hardop voorlezen van het transcript moet iets soortgelijks verschijnen als in de opname zelf.

2. Een transcript moet gegevens die interessant zijn voor het onderzoek ook ontsluiten. In een onderzoek naar de graad van formaliteit tussen gesprekspartners kan het bijvoorbeeld belangrijk zijn dat aanwijzingen over aarzelingen en snelheid van het uitspreken mee opgenomen worden in het transcriptiesysteem.

3. Het systeem mag slechts een minimum aan interpretatie van de transcribent overlaten. De transcribent moet voortdurend keuzes maken om iets op een bepaalde manier weer te geven, bijvoorbeeld de duur van een pauze of het gebruik van tussenklanken. Dit interpreteerwerk van een transcribent moet tot een minimum worden beperkt (Baeyens, 1979, p. 24-25).

3.4.3 Een bruikbaar transcriptiesysteem

Alhoewel transcriptiesystemen door de jaren heen aan verandering onderhavig zijn geweest heeft vooral het werk van Gail Jefferson ertoe bijgedragen dat er een symbolentranscript ontwikkeld werd die voldoet aan bovenstaande vereisten en zeer bruikbaar is voor de transcribent (Button, 1987, p. 11). In de tabel hieronder staan deze symbolen verwerkt. Dit transcriptiesysteem van Jefferson focust voornamelijk op de interactionele en 'samenhangende' karakteristieken van taal. Vandaar dat er nadruk wordt gelegd op elementen als tegelijk spreken en pauzes tussen interventies (Heath, 1993, p. 309). Met dit transcriptiesysteem krijgt de onderzoeker een analyse-instrument aangereikt waarmee vooral het onderlinge verband tussen de acties van de sprekers bestudeerd kan worden.

Volgorde van sprekers

[ en ]

Simultaan en overlappend spreken

 

Mary: Ik weet het

John:

[

niet

Echt

]

niet?

//

Simultaan en overlappend spreken (variant)

 

Mary: Ik weet het // niet

John: Echt niet?

=

Geen pauze tussen de interventie van 2 sprekers

 

Mark: Ik zei toch dat=

Jan: =dat heb je niet gezegd

Stiltes tussen interventies

(1.1)

Seconden en tienden van seconden pauze

 

Katrien: Ik ken het antwoord niet. (2.0) Echt niet.

(.)

Microstilte, minder dan een tiende van een seconde, maar wel hoorbaar

 

Koen: Moet je (.) een elastiek hebben?

((pauze))

Niet getimede stilte

 

Katrien: Ik weet het weer. Het is ((pauze)) de tweede.

 

 

Intonatie

.

Dalende intonatie, met een duidelijk einde ('full stop')

 

Karel: Nee:::. Niet doen.

,

Dalende intonatie, zonder duidelijk einde

 

Stefaan: Ik geloof daar niets, maar dan ook niets van.

?

Stijgende intonatie

 

Katrijn: Nee? En waarom niet?

!

Geanimeerde toon

 

Mattias: Pas op! Achter je!

­ ¯

Opvallende stijging of daling in intonatie

 

Nils: O¯ Nee. Wat verschrikkelijk.

Klanken

:::

Verlengde klinker

 

Jeff: Ik heb het hee::::l koud

-

Afgekapte medeklinker

 

Jacob: Maar-

Lisbeth: Niets te maren.

°°

Zachter uitgesproken

 

Kristel: Heb jij je °punten° al gekregen?

Hoofdletters

Harder uitgesproken

 

Dirk: Wat! Zijn dat MIJN punten?

h en (h)

Hoorbaar uitblazen. Binnen een woord worden haakjes gebruikt.

 

Dimitri: Tja::hhh. Had ik dat eerder geweten.

Kaat: Je kan niet aan al(h)les denken.

°h en (°h)

Hoorbaar inhaleren. Binnen een woord worden haakjes gebruikt.

 

Sofie: °hhhhh. Wat is dat spannend.

><

Sneller uitgesproken sectie

 

Trees: Ik geloof het niet. >Dat hoeft toch niet < Nee, dat hoeft

echt niet.

Onderlijnd

Klemtoon

 

Rudy: En toch is het zo.

Opmerkingen van de codeur

(tekst)

Slecht begrepen tekst (bij het uitschrijven)

 

Greetje: Nee, ik heb nu geen (geld) bij.

((beschrijving))

Andere opmerkingen of beschrijvingen van de situatie

 

Katja: Geef maar hier. ((Haalt omslag uit tas)).

Bron: (Button, 1987, 9-17)

3.4.4 Transcriptanalyse

Afhankelijk van de onderzoeksvraag kan een transcript op verschillende manieren geanalyseerd worden. Heel wat conversatieanalisten hebben zich louter beperkt tot sequentiële analyse: de analyse van de opeenvolgende uitingen. Zij hielden zich daarmee voornamelijk bezig met de organisatie en de ordening binnen de tekst. Maar er zijn meer transcriptanalyse-mogelijkheden. Er is bijvoorbeeld een thematische analyse mogelijk, waarbij gekeken wordt naar de inhoudelijke elementen van de tekst en delen van de tekst. Er kan ook een interactionele analyse uitgevoerd worden, waarbij specifieke aandacht gaat naar de spreekbeurttijd, de wijze van spreekbeurtwisseling en de spreek- en luisterstandpunten (rol en functie van de sprekers) (Van Lint, 1980, p. 34).

Bij de analyse van transcripts is het onvermijdelijk dat de betrouwbaarheid en validiteit van de analyse nagegaan wordt. Betrouwbaarheid verwijst naar de consistentie in de meting, los van diegene die de meting verricht en van het moment van de meting. Validiteit verwijst daarentegen naar de mate waarin een meting het sociale fenomeen - dat het probeert te beschrijven - ook daadwerkelijk vertegenwoordigd.

Kirk en Miller gebruiken het voorbeeld van een thermometer om het onderscheid tussen beide begrippen te verduidelijken: een thermometer die ondergedompeld wordt in kokend water, en elke keer op 82° blijft steken, is perfect betrouwbaar, maar niet valide. Een thermometer die elke keer een ander resultaat geeft, dat echter steeds in de buurt van de 100° komt, is onbetrouwbaar, maar relatief valide ((Kirk, 1986, p. 19) geciteerd in (Silverman, 1994, p. 145)).

Het betrouwbaarheidsprobleem bij transcripts wordt op een vergelijkbare manier opgelost als binnen de inhoudsanalyse van teksten. Bij inhoudsanalyse is het gebruikelijk om verschillende codeurs eenzelfde stuk tekst te laten coderen, om vervolgens deze twee interpretaties met elke te gaan vergelijken en een inter-codeur betrouwbaarheidscore te gaan berekenen. Daarnaast pleit Silverman ook voor analyse-sessies in groep, waarbij meerdere codeurs tegelijk werken en hun interpretaties bediscussiëren (Silverman, 1994, p. 149).

Het validiteitsprobleem staat relatief los van het gebruik van transcripts, en moet eerder bekeken worden binnen de kwalitatieve analysestroming. Binnen deze onderzoekstraditie worden twee methoden gebruikt om onderzoeksresultaten te valideren: triangulatie en respondent validering. Triangulatie bestaat uit het vergelijken van resultaten op basis van verschillende soorten data en verschillende methoden. Bij respondent validering worden de voorlopige onderzoeksresultaten ter commentaar voorgelegd aan de onderzoekssubjecten, en worden de onderzoeksresultaten op basis van deze feedback verfijnd (of verworpen).

3.5 Voorbeelden van CA

3.5.1 Nieuwsinterviews

Greatbach heeft m.b.v. CA onderzoek verricht naar het verloop en de werking van radio- en televisienieuwsinterviews (1986; samen met Heritage, 1991). Nieuwsinterviews worden niet beschouwd als een 'natuurlijke' conversatievorm; de institutionele setting speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol. De gespreksregels en -rollen tussen de deelnemers blijken ook heel wat formeler te zijn. Regels, zoals die opgesteld zijn in het beurtwisselingssysteem van Sacks & co, zijn wel grotendeels van toepassing maar er blijken nog een aantal extra bijzonderheden.

Greatbach en Heritage spreken over het 'normatieve' karakter van het beurtwisselingssysteem bij nieuwsinterviews. Eigen aan interviews is bijvoorbeeld het te verwachten vraag-antwoordspelletje. In de meeste nieuwsinterviews is het volgende patroon terug te vinden (Heritage, 1991, p. 98):

I: vraag;

Gast: antwoord

I: vraag;

Gast: antwoord

Door dit herkenbare vraag- en antwoordpatroon te gebruiken en daar nauwelijks van af te wijken vervullen de gesprekspartners de rollen van interviewer en geïnterviewde, zowel ten opzichte van elkaar als ten opzichte van hun publiek (Greatbach, 1986, p. 441). Dat deze invulling van het beurtwisselingssysteem een normatief karakter heeft, kan aangetoond worden door juist afwijkende voorbeelden te analyseren. Want zodra de gast zelf een vraag stelt, treedt hij of zij uit de hem of haar toegekende rol en wordt de interviewer geïnterviewd. Meestal heeft dit tot gevolg dat de interviewer zich wat ongemakkelijk begint te voelen. Hetzelfde blijkt als gasten op een vraag niet direct een antwoord geven. Ze kunnen weigeren een antwoord te geven of om de pot draaien. Ook dit veroorzaakt vaak een moeilijke situatie voor de interviewer die zal proberen toch een direct antwoord op de eerst gestelde vraag te krijgen.

Uit de analyses van Greatbach blijkt wel dat beurtwisselingen in nieuwsinterviews meestal gebeuren op momenten dat er een vraag of een antwoord lijkt te zijn gegeven. Gasten geven hun beurt weer over aan een interviewer op een moment dat ze klaar zijn voor een volgende vraag (Heritage, 1991, p. 101-103). Ook eigen aan nieuwsinterviews is dat de interviewer altijd het vraaggesprek begint en eindigt. Het zal zelden of nooit gebeuren dat de gast het interview zelf afsluit. Als er twee of meerdere gasten bij een nieuwsinterview betrokken zijn, is het een ongeschreven regel dat het de interviewer is die de beurtwisseling controleert. Bovendien hebben de meeste vragen ook een 'agenda-setting' karakter: de interviewer weet meestal op voorhand welke vragen hij of zij nog op het vragenlijstje heeft staan, welke onderwerpen behandeld zullen worden en waar hij of zij met dit interview toe wil komen. De geïnterviewde moet zich vaak maar schikken naar de vragen die hij of zij op zich afgevuurd krijgt; het is niet eenvoudig om de 'agenda' van de vragensteller te veranderen (Greatbach, 1986, p. 442). Maar het gebeurt natuurlijk wel, zoals in onderstaand fictief voorbeeld blijkt waarbij twee personen (JN en OM) geïnterviewd worden (door Int):

‘Int: So in fact that clause has now

[

got two words

]

 

JN:

Now says seriou

s. =

Int:

=

[

se

]

rious and substan

[

tia:l

]

 

JN:

Yes

 

Yes

, that's right

Int: °hhh Onna what implications from your point of view =

OM: =mhm=

Int: =does that make,

OM: (1) I’d like to make my own postion clear first of all.

(2) I support the ’67 Act. °hhh And abortion to be allowed on those particular grounds. °h I don’t believe that we have abortion on request, =still less do we have abortion on demand.

(3) °hhh The implications of the words serious and substantially °hhh are very grave indeed …'

OM neemt haar beurt zonder direct op de vraag te antwoorden: ze positioneert zich eerst duidelijk (1), maar suggereert wel dat ze ook nog wel antwoord zal geven ('first of all'). Op dat moment zou de interviewer tussen kunnen komen, maar in dit geval gebeurt dat niet en kan OM inderdaad haar eigen agenda naar voor brengen (2), waarna ze weer terugkomt op de vraag van de interviewer (3) (Greatbach, 1986, p. 443). Geïnterviewden proberen ook vaak controle over een topic te krijgen, hun antwoord zo te draaien dat ze eigenlijk geen antwoord op de vraag geven:

Int: En mag u hem graag?

Pol: °hhh Wel, ik euh (.) ik denk dat in de politiek, ziet u, is het niet een kwestie van elkaar mogen of niet. Het gaat erom of euh je met elkaar om kunt gaan. °hhh en ik e:uh ik kan altijd heel goed omgaan met mijnheer Neyt en euh hij met mij.

In dit fictieve voorbeeld gaat de geïnterviewde niet direct in op de vraag, maar formuleert hij zelf een alternatieve vraag en antwoordt daarop.

Het beurtwisselingssysteem en het vraag-antwoordpatroon vormen binnen nieuwsinterviews wel het normatieve karakter. Toch worden bepaalde technieken die geïnterviewden gebruiken om vragen te omzeilen wel aanvaard (Greatbach, 1986, p. 453). Bovenstaande voorbeelden illustreren dat mensen vooral inventief omspringen met deze gespreksregels.

3.5.2 Wodak: de IGS in een therapeutische situatie

In 'disorders of discourse' geeft Wodak een beknopt verslag van een onderzoek naar therapeutische communicatie, dat door haar in de periode 1976-78 uitgevoerd werd. Tijdens deze drie jaren registreerde zij de gesprekken van open groep-sessies12 in het Weense Crisis Interventie Centrum, dat zich richt op de crisisopvang van suïcidale mensen. Groeptherapie gebeurt onder begeleiding van een therapeut die het gesprek leidt, maar die er tegelijk ook probeert voor te zorgen dat de verschillende aanwezigen met elkaar interageren (Wodak, 1996, p. 132-136):

'The role reversals are impressive. Some of the most intractable problems simply disappear as the same person directs his or her attention to someone else and becomes his or her counsellor. The focus is on the [here and now], or what is occurring in the patient's life which is stimulating the suicidal impulses.' (Farberow, Geciteerd in (Wodak, 1996, p. 136))

Wodak zelf beschrijft het verloop van deze groepssessies als volgt:

'The rules in the group contrast strongly with those of everyday life: you are encouraged to say everything that comes into your head; arguments and conflicts are welcome; you are expected to listen to the problems of others and try to offer advice. Participants are also urged to reflect on the group discussion as such; routine forms of politeness, for example, are not considered necessary; emotion may be shown. These explicit rules are explained to every newcomer and have an immediate effect on the discourse: misunderstandings, conflicts, disorders of all kinds are explicitly integrated into the conversation and are resolved. Very intimate topics are dealt with at length, and everyone gets their turn. Very few speakers are interrupted.' (Wodak, 1996, p. 178)

De focus van dit onderzoek ligt op 'problem presentation in group therapy', hetgeen verwijst naar lange monologen van patiënten tijdens een groepssessie, waarbij zij uitdrukking geven aan een persoonlijk probleem. Gezien het interactieve karakter van dergelijke groepssessies wordt ook de onmiddellijke reactie van de therapeut of groep, en reactie van de patiënt daarop, in de analyse opgenomen (Wodak, 1996, p. 146-147).

Wodak bespreekt uitgebreid het voorbeeld van een vrouwelijke patiënte die een problematische relatie heeft met haar autoritaire vader. Door een analyse van de machtsrelatie tussen haar en de therapeut in de therapeutische groep, zal ze ook in staat blijken de machtsrelatie tussen haar en haar vader te analyseren, en de andere machtsrelaties die een rol in haar leven spelen, in ogenschouw te nemen:

'Thus, power, in this specific context, is not mystified but made explicit and thus refutable.' (Wodak, 1996, p. 168)

Daarnaast stelt Wodak dat klasse- en gender-specifieke verschillen aanwezig waren, maar dat deze niet beletten dat ook mannen en mensen uit lagere klassen13 binnen deze discursieve context over hun problemen en gevoelens kunnen praten. Het opduiken van deze grenzen werd door de therapeuten en door de groep snel geïdentificeerd en bestreden:

'The erection of class or gender barriers was vigilantly counter-acted; and if it was felt that they had surfaced, they were discussed immediately. This kind of discourse recalls Habermas' utopian vision of the ideal speech situation.' (Wodak, 1996, p. 179)

4. Een vergelijking tussen KDA en CA

KDA en CA zijn twee stromingen die onder de noemer van discoursanalyse worden ondergebracht. Beiden verwijzen ze naar het belang van taal als sociale activiteit, en naar de contextgebondenheid van taal. Het is echter in dit laatste element dat tegelijk ook de grootste verschillen optreden: KDA zal meer dan oog hebben voor de macrocontext van (geschreven en gesproken) teksten, terwijl CA meer de voorkeur zal geven aan de microcontext van informele gesprekken.

Deze eenvoudige opsplitsing is echter verraderlijk, omdat het onderzoeksobject van CA in de loop der jaren een belangrijke verruiming heeft ondergaan. Terwijl in de eerste periode van CA de klemtoon lag op de analyse van natuurlijke conversaties, werden de principes van CA later ook toegepast op institutionele conversaties. Ook gingen elementen uit de macrocontext in CA een meer prominente rol spelen. CA wordt door deze verruiming in steeds ruimere mate gezien als een methode die gebruikt kan worden om gesproken taal te analyseren. De theoretische omkadering van CA blijft echter vrij zwak; waardoor deze stroming - bijvoorbeeld vanuit KDA - aan heel wat kritiek wordt blootgesteld. Bijvoorbeeld Fairclough verwijst naar een stellingname van Bourdieu, die het gebrek aan integratie in andere vormen van sociale analyse aanklaagt:

'[...] much discourse analysis is analysis of communicative events which does not attempt to map them on to orders of discourse. Yet an adequate analysis of communicative events as forms of social practice - an adequate discourse analysis of communicative events does need to locate them within fields of social practice and in relation to the social and cultural forces and processes which shape and transform those fields.' (Fairclough, 1998, p. 143)

KDA daarentegen heeft ernstig te lijden aan een gebrek aan hanteerbare methodologie, ondanks de aanwezigheid van een sterk begrippenkader. De archeo-genealogische benadering en de deconstructie bieden wel methodologische aanknopingspunten, maar bieden onderzoekers in een concrete onderzoekssituatie relatief weinig houvast.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat KDA zich onder meer gaat beroepen op de methodologie van CA. Voor sommige auteurs - zoals bijvoorbeeld Wodak - is dit voldoende om te spreken van het ontstaan van een nieuwe stroming binnen discoursanalyse: 'discourse sociolinguistics' (Wodak, 1996). Anderen, zoals Fairclough, kiezen ervoor de term KDA te blijven gebruiken, terwijl nog anderen van CA blijven spreken. De begripsverwarring, waarvan sprake in het begin van dit hoofdstuk, is er dus alleen nog maar groter op geworden.

Eén van de domeinen waar de combinatie van KDA en CA succesvol is gebleken, situeert zich binnen de communicatiewetenschappen. Een voorbeeld hiervan is terug te vinden bij Fairclough, die in zijn bijdrage in 'Approaches to media discourse' het hybride karakter van het politieke, geïllustreerd door het ontstaan van subpolitiek14, verbindt met de veelheid aan 'orders of discours' die een bepaalde agent in een bepaald media-genre kan gebruiken:

'One issue is how well the hybridity of mediatized political discourse represents the hybridity of politics - whether, for example, the media give undue prominence to the official political system, whether that is true of some sections of the media, or some types of programme within the broadcast media, more than other and so forth.' (Fairclough, 1998, p. 148-149)

Fairclough stelt dat gewone mensen meer en meer gebruik gaan maken van het professioneel politieke discours en van het discours van experts, terwijl professionele politici en experts juiste te leen gaan bij het discours van gewone mensen. Aan de hand van een analyse van de conversaties in het Britse programma Today, kan Fairclough wijzen op 'conversionalisation', of het modelleren van het publieke debat op grond van natuurlijke conversaties. ((Fairclough, 1998, p. 160)).

Dit voorbeeld toont aan dat binnen de discoursanalyse van de media KDA uitstekend kan gebruikt worden als theoretisch kader en even uitstekend kan aangevuld worden met CA als methodologie voor het empirische luik van de analyse.


Bibliografie

* Austin, J. L., (1962). How to do things with words. Oxford, Oxford University Press, 166 p.
* Baeyens, M., (1979). Naar een uniform transcriptiesysteem. In: Conversatieanalyse. Lezingen van het congres Conversatieanalyse. A. H. Foolen, Jan; Springorum, Dick (ed.). Nijmegen, Xeno: p. 17-40.
* Berger, A. A., (1991). Media analysis techniques. London, Sage Publications, 143 p.
* Berns, E., (1981). Jacques Derrida en de taalfilosofie. In: Denken in Parijs. Taal en Lacan, Foucault, Althusser, Derrida. E. Berns, Ijsseling, Samuel, Moyaert, Paul (ed.). Alphen aan den Rijn/Brussel, Samsom: p. 139-169.
* Blumer, H., (1969). Symbolic interactionism: perspective and method. Englewood Cliffs, New Jersey, Prentice Hall, 208 p.
* Boyne, R., (1990). Foucault and Derrida. The other side of reason. London, Unwin Hyman, 179 p.
* Button, G., Lee, John, (1987). Talk and social organisation. Clevedon, Philadelphia, Multilingual Matters, 335 p.
* De Jong, M.-J., (1997). Grootmeesters van de sociologie. Amsterdam Meppel, Boom, 401 p.
* de Saussure, F., (1966). Course in general linguistics. New York, McGraw-Hill, 240 p.
* Duncan, S. and D. Fiske, (1977). Face-to-face interaction: Research, Methods, and Theory. Hillsdale, Lawrence Erlbaum, 361 p.
* Fairclough, N., (1992). Discourse and social change. Cambridge, Polity Press, 259 p.
* Fairclough, N., (1998). Political discourse in the media: an analytical framework. In: Approaches to media discourse. A. Bell, Garrett, Peter (ed.). Londen, Blackwell: p. 142-162.
* Fiske, J., (1987). Television culture. London, 353 p.
* Foucault, M., (1972). Truth and power. In: Power/knowledge. C. Gordon (ed.). New York, Pantheon Books: p. 109-125.
* Foucault, M., (1978). History of Sexuality, part 1: an introduction. New York, Pantheon, 168 p.
* Garfinkel, H., (1967). Studies in ethnomethodology. New Jersey, Prentice-Hall, 288 p.
* Gasché, R., (1987). Infrastructures and systematicy. In: Deconstruction and philosophy. The texts of Jacques Derrida. J. Sallis (ed.). Chicago/London, University of Chicago Press: p. 3-20.
* Greatbach, D., (1986). "Aspects of topical organization in news interviews: the use of agenda-shifting procedures by interviewees." In: Media, Culture and Society 8: p. 441-455.
* Hall, S., (1991). Het minimale zelf en andere opstellen. Amsterdam, Sua, 214 p.
* Hall, S., (1993). Discourse and power. In: Formations of modernity. S. Hall, Gieben, B. (ed.). London, Polity Press: p. 291-295.
* Hardeveld, J. F., Ad; Springorum, Dick, (1980). Conversatieanalyse. In: Conversatieanalyse. A. H. Foolen, Jan; Springorum, Dick (ed.). Groningen, Xeno: p. 1-15.
* Heath, C., Paul Luff, (1993). Explicating face-to-face interaction. In: Resaerching social life. N. Gilbert (ed.). Londen, Sage: p. 306-326.
* Heritage, J. G., David, (1991). On the institutional character of institutional talk: the case of news interviews. In: Talk and Social Structure. Studies in Ethnomethodology and Conversation Analysis. D. Z. Boden, Don H. (ed.). Cambridge, Polity Press: p. 93-137.
* Honneth, A., (1986). Diskursethik und implizites Gerechtigheitskonzept. In: Moralitat und Sittlichkeit. W. Kuhlman (ed.). Frankfurt am Main: p. 183-194.
* Howarth, D., (1998). Discourse theory and political analysis. In: Research strategies in the social sciences. E. Scarbrough, Tanenbaum, Eric (ed.). Oxford, Oxford University Press: p. 268-293.
* Karskens, M., (1986). Waarheid als macht. Een onderzoek naar de filosofische ontwikkeling van Michel Foucault. Nijmegen, Stichting Te Elfder Ure, 253 p.
* Kearney, R., (1984). Dialogues with contemporary continental thinkers. The phenomenological heritage: Paul Ricoeur, Emmanuel Levinas, Herbert Marcuse, Stanislas Breton, Jacques Derrida. Manchester, Manchester university press, 133 p.
* Keulartz, J., (1992). De verkeerde wereld van Jurgen Habermas. Meppel, Boom, 303 p.
* Kirk, J., Miller, Marc, (1986). Reliability and validity in qualitative research. Beverly Hills, California, Sage, 87 p.
* Laclau, E., Mouffe, Chantal, (1985). Hegemony and socialist strategy: towards a radical democratic politics. London, Verso, 197 p.
* Laclau, E., (1988). Metaphor and social antagonisms. In: Marxism and the interpretation of culture. C. Nelson, Grossberg, L. (ed.). Urbana, University of Illinois: p. 249-257.
* McLaughin, M. L., (1984). Conversation: how talk is organized. Londen, Sage, 296 p.
* Merquior, J. G., (1988). De filosofie van Michel Foucault. Utrecht, Het Spectrum, 181 p.
* Oger, E., (1991). Jacques Derrida: deconstructie en logocentrisme. In: Denkwijzen 7. H. Berghs (ed.). Leuven/Amersfoort, Acco: p. 91-125.
* Pomerantz, A., Fehr, B.J., (1997). Conversation Analysis: an approach to the study of social action as sense making practices. In: Discourse as social interaction. T. A. V. Dijk (ed.). Londen, Sage: p. 64-91.
* Sacks, H., E. A. Schegloff, et al., (1978). A simplest systematics for the organization of turn taking for conversation. In: Studies in the organization of conversational interaction. J. Schenkein (ed.). New York, Academic Press: p. 7-55.
* Sayyid, B., Zac, Lilian, (1998). Political analysis in a world without foundations. In: Research strategies in the social sciences. E. Scarbrough, Tanenbaum, Eric (ed.). Oxford, Oxford University Press: p. 249-267.
* Schrover, E., (1989). De taal van Oedipus. Lacan, Derrida en het 'Unheimliche' van literatuur. Nijmegen, 332 p.
* Showstack-Sasson, A., (1982). A Gramsci dictionary. In: Approaches to Gramsci. A. Showstack-Sasson (ed.). London, Writers and readers collective: p. 12-17.
* Silverman, D., (1994). Interpreting qualitative data: methods for analysing talk, text and interaction. London, Sage, 224 p.
* Springorum, D., (1979). Directieven, interpreterende reacties en conversationele voortzettingsmogelijkheden. In: Conversatie-analyse. A. Foolen, J. Hardeveld and D. Springorum (ed.). Groningen, Xeno: p. 193-223.
* Ten Have, P., (1979). Openingssequenties. In: Conversatieanalyse. A. H. Foolen, Jan; Springorum, Dick (ed.). Groningen, Xeno: p. 63-84.
* Van Den Bergh, H., (1997). Discours-analyse van alledaags racisme. In: De interpretatieve benadering in de communicatiewetenschap. Theorie, methodologie en case-studies. J. Servaes, Frissen, V. (ed.). Leuven/Amersfoort, Acco: p. 183-207.
* Van Dijk, T., (1988). News as discourse. Hillsdale, New Jersey, Lawrence Erlbaum Associates, 200 p.
* Van Dijk, T., (1997). Discourse as structure and process. London, Thousand Oaks, New Delhi, Sage, 356 p.
* Van Lint, P., (1980). Vormen van taalverkeer. Groningen, Xeno, 246 p.
* Van Poecke, L., (1991). Verbale communicatie. Leuven, Garant, 147 p.
* Vos, C., (1991). Het verleden in bewegend beeld. Een inleiding in de analyse van audiovisueel materiaal. Houten, De Haan, 199 p.
* Wilson, T. P., (1991). Social structure and interaction. In: Talk and social structure. D. Boden and D. H. Zimmerman (ed.). Cambridge, Polity Press: p. 22-43.
* Wittgenstein, L., (1976). Filosofische onderzoekingen. Meppel, Boom, 315 p.
* Wodak, R., (1996). Disorders of discourse. London, Longman, 200 p.
* Zimmerman, D. and D. Boden, (1991). Structure-in-Action: an introduction. In: Talk and Social Structure. Studies in Ethnomethodology and Conversation Analysis. D. H. Z. Deirdre Boden (ed.). Cambridge, Polity Press: p. 3-22.

Voetnoten

1 Fonemen zijn de kleinste linguïstische eenheid.
2 Hierin bekritiseert hij het structuralistische marxisme van Althusser.
3 Later heeft de deconstructie ook een meer politieke lading gekregen (Berns, 1981, p. 168-169).
4 Het concept 'binaire oppositie' van Derrida sluit nauw aan bij het concept 'antagonisme' van Laclau en Mauffe, dat hieronder besproken wordt.
5 Laclau en Mouffe definiëren discours dan ook als een systeem van momenten (Laclau, 1985, p. 111).
6 Deze term is ontleend aan Blumer, zie (Blumer, 1969)
7 Teksten die vooral regels willen opstellen in verband met (in dit geval) seksueel gedrag.
8 Enkrateia, of meester zijn over jezelf.
9 In 1979 begon de regeerperiode van M. Thatcher.
10 Silverman gebruikt in 'Interpreting Qualitative Data' niet de term KDA, maar gewoon DA.
11 Een beurt ('turn') betekent hier een gelegenheid tot spreken ('to have the floor'). Een gelegenheid tot spreken betekent ook dat men invloed kan uitoefenen op gesprekspartners (Van Poecke, 1991, p. 122).
12 In deze zogenaamde open therapeutische groepen worden - in tegenstelling tot bij gesloten groepen - nieuwe leden ook na de aanvang van de therapie toegelaten.
13 In het kwantitatieve gedeelte van haar onderzoek toont Wodak aan dat deze groepen minder geneigd zijn om aan de groepsdiscussies deel te nemen (Wodak, 1996, p. 139)
14 oftewel de politiek van de nieuwe vormen van sociale bewegingen zoals dierenrechtengroeperingen en protestgroepen tegen nieuwe wegen