|
República del Ecuador
Ligging:
noordwesten van Zuid-Amerika.
Oppervlakte
: 256.370 km2 (9 keer België)
Aantal inwoners
: 12,5 miljoen inwoners volgens de laatste officiële volkstelling in
2000 (iets meer dan België).
Hoofdstad : Quito, ligt op 2.800
meter hoogte.
Munteenheid
: tot 2000 de Sucre, nu de dollar (makkie voor ons!).
Nationale
feestdag : 10 augustus, de dag waarop het land in 1830 (net als
België) een zelfstandige republiek werd.
Het land dankt zijn naam aan zijn ligging rond de evenaar of
equator.
Fysische geografie
Landschap
Ecuador omvat drie landschappen:
De Costa, de vlakke kuststreek.
De Sierra, het andesgebergte. Er
verrijzen hoge vulkanische toppen, waarvan sommige nog actief zijn. De
hoogste vulkaan is de Chimborazo (6310m), met een permanente ijskap,
gevolgd door de Cotopaxi, 5897 m. Aardbevingen komen veelvuldig voor.
De Oriente een tropisch junglegebied.
Klimaat, plantengroei en dierenwereld
Momenteel is het hier in Cuenca (Andesgebied)
regenseizoen (november – mei). Dit betekent in de voormiddag zonnig en
temperaturen rond de 25°C, regelmatig zelfs tot 30°C (verraderlijk die
“hoogtezon”) en regen in de namiddag (vanaf 15 u). In de Costa en de
Oriente heerst een vochtig warm, tropisch klimaat.
Bergwouden bedekken een groot deel van de hellingen
tot een hoogte van 3000 m. Hierboven strekt zich een gebied uit met
grassen en struiken (páramo). De temperatuur in de bekkens tussen
de bergen schommelt relatief weinig (tussen 7 en 20°C). De hoofdstad
Quito, die op minder dan 25 km van de evenaar ligt, kent een
‘eeuwigdurende lente’, hoewel de nachten er vaak koud zijn.
De dierenwereld is even gevarieerd als de
plantengroei. Vooral het tropisch regenwoud is zeer rijk aan zoorgdieren
(zoals apen, tapirs, poema’s) en vogels. De natuur van de
Galápagoseilanden is redelijk goed beschermd, dit in tegenstelling tot
de natuur op het vasteland van Ecuador, waar de toepassing van de
milieuwetten hier en daar zeer te wensen overlaat.
Bevolking
Samenstelling en spreiding
In Ecuador heerst (ongeveer) de volgende verdeling :
45%
mesties,
35%
inheems (Indiaans),
10%
blank,
8%
Afro-Amerikaans en mulat.
In de Costa leven 6 miljoen mensen, in de Sierra 5,4
miljoen, in de Oriente 550.000 en op de Galapagos bijna 19.000. De meest
bevolkte provincies zijn Guayas, met de havenstad Guayaquil: 3,3
miljoen; Pichincha (met de hoofdstad Quito): 2,3 miljoen.
Taal
De officiële taal is het Spaans; de inheemsen in de
Sierra spreken overwegend quichua, in de Oriente worden nog een tiental
kleinere Indianentalen gesproken.
Religie
De bevolking is voor het overgrote deel
rooms-katholiek (85%). De grondwet garandeert godsdienstvrijheid. De
kerk heeft nog steeds aanzienlijke politieke macht.
Bestuur en samenleving
Ecuador is een republiek
Op 15 oktober waren het
presidentsverkiezingen (wij
maakten het mee! -
zie specials in dagboek).
De president wordt voor 4 jaar rechtstreeks door de bevolking verkozen
(en is voor de eerstvolgende ambtsperiode niet herkiesbaar). Er is een
“Congreso” of parlement, bestaande uit 100 volksvertegenwoordigers die
rechtstreeks verkozen worden. De uitvoerende macht is in handen van de
president. Er is kiesplicht voor burgers vanaf achttien jaar.
Lidmaatschap van internationale organisaties
Ecuador is lid van de Verenigde Naties en een aantal
van haar suborganisaties, van de Organisatie van Amerikaanse Staten
(OAS), het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de CAN (Comunidad Andina
de Naciones, het vroegere zgn. Andes-Pact) en van het
Latijns-Amerikaanse Economische Systeem (SELA). Ecuador is een van de
mede-ondertekenaars van het Verdrag van Amazonische Samenwerking (1978),
waarin economische en ecologische relaties met aan het Amazonebekken
grenzende buurlanden geregeld zijn. Het lidmaatschap bij de OPEC (olie
exporterende landen) werd opgezegd.
Politieke organisatie; partijwezen en vakbonden
De militairen bezitten traditioneel een belangrijke
politieke invloed. Het onderscheid tussen de politieke partijen wordt
meer bepaald door tegenstellingen tussen de politieke leiders dan door
programmatische verschillen. Er zijn tientallen partijen, te veel voor
zo'n klein land. Hun invloed verschilt vaak regionaal.
De vakbeweging is sterk gefragmenteerd, en
vertegenwoordigt maar een klein deel van de arbeiders.
Economie
Algemeen
Ecuador was tot begin jaren '70 een van de minst
ontwikkelde landen van Latijns-Amerika. De economie drijft op één kurk:
aardolie.
Sinds 1972 heeft de uitvoer van olie de economische
structuur ingrijpend gewijzigd. Het aandeel van de verschillende
sectoren in het bruto nationaal product (bnp) was in 1994 als volgt:
landbouw (bananen, koffie, cacao en suiker) 12%, industrie 38% (waarvan
mijnbouw [incl. olie] 11%), handel en diensten 50%.
Van de economisch actieve bevolking (2,7 miljoen
mensen) is 28% werkzaam in de landbouw, 18% in de industrie en mijnbouw
en 50% in handel en diensten; officieel wordt de werkloosheid op 8,5%
gesteld; de verborgen werkloosheid is echter groot (meer dan 50% in
2000).
In 1999 maakte het land de zwaarste economische
crisis uit haar geschiedenis mee. De economie kende zware klappen en de
werkloosheid steeg aanzienlijk.
Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Van het totale landoppervlak is ca. 12% in gebruik
voor landbouw, 11% is weidegrond en 60% is met bos (vooral regenwoud)
bedekt. Van de landbouwgrond ligt rond 60% in de Costa en bijna 40% in
de Sierra; het landbouwpotentieel in de Oriente wordt geschat op 35% van
het totale landbouwoppervlak.
Er is een groot verschil tussen de landbouw in de
Costa en de Sierra. In de Costa zijn het vooral uitgestrekte plantages,
terwijl men in de Sierra “minifundias” heeft, kleinschalige landbouw en
veeteelt.
Belangrijke producten van de Costa zijn bananen
(waarvan Ecuador een van de grootste producenten is), cacao en koffie
(overwegend op kleine bedrijven). De Costa produceert verder palmpitten,
rijst, katoen, suikerriet en tropische vruchten.
In de Sierra worden aardappelen, maïs, tarwe en gerst
verbouwd, en is de rundveehouderij belangrijk. Ondanks de
landhervormingen van 1964 en 1973 is de landbouwgrond nog grotendeels in
handen van grootgrondbezitters: ca. 10% van de eigenaren beschikt over
76% van de grond. Meer dan 70% van de landbouwbedrijven is kleiner dan 5
ha. Evenmin hebben de agrarische hervormingen een einde kunnen maken aan
de traditionele vorm van deelpacht (huasipungo), waarbij de ‘pacht’
voldaan wordt door arbeid voor de grootgrondbezitter.
De grote houtreserves van het land, vooral in
de oerwouden in de Oriente, worden slechts op bescheiden schaal
geëxploiteerd.
Ecuador heeft met een aandeel van bijna 14% in de
totale export een belangrijke en snel groeiende zeevisserij
(sardines, garnalen en tonijn). Om de visgronden, vooral rond de
Galápagoseilanden en voor de kust, te beschermen doet het land rechten
gelden op een 200-mijlszone.
In de jaren '90 probeerde men de export te
diversifiëren. Vroeger waren er altijd "booms" (rubber, cacao, bananen).
Nieuwe niet-traditionele exportproducten zijn scampi en bloemen.
Mijnbouw en energievoorziening
Sinds de koloniale tijd is de winning van goud en
zilver van belang. Een mijnbouwwetgeving van 1974 bepaalde dat alle
mijnen staatseigendom waren en dat de exploitatie en verkoop in
samenwerking met de staat dienen te geschieden. Maar door de zgn.
“Troley-wet” is daar stilaan verandering in gekomen.
In de jaren zeventig is de winning van aardolie
economisch van groot belang geworden. De ontdekking in 1967 van zeer
rijke olievelden in de Oriente maakte Ecuador de tweede olie-exporteur
van Latijns-Amerika (na Venezuela); vanwege de beperkte
raffinagecapaciteit wordt de olie voor het grootste gedeelte
ongeraffineerd uitgevoerd. Vanaf 1972 werken de Noord-Amerikaanse
maatschappijen nauw samen met de in 1971 opgerichte
staatsoliemaatschappij CEPE, in 1989 omgedoopt in Petroleus del Ecuador
en later tot Petroecuador. In 2001 werd begonnen met de aanleg van een
nieuwe oliepijpleiding, de OCP, om de productiecapaciteit van de
petroleum vanaf 2003 te verdubbelen.
In de Golf van Guayaquil zijn grote aardgasreserves
ontdekt. De geïnstalleerde capaciteit voor de opwekking van
elektriciteit is nog onvoldoende. Er zijn nieuwe waterkrachtcentrales
bij Paute (die instaan voor 60% van de energievoorziening), Pisayambo en
Agoyán in werking gesteld.
Industrie
De industrie is voor 80% geconcentreerd in Guayaquil
en Quito. De belangrijkste producten zijn textiel, plantaardige oliën en
vetten, cacaoproducten, suiker, oploskoffie, bier, cement, papier,
metaalwaren en rubber. Het doel van een groots opgezet industrieplan is
het aanzwengelen van de export en een vermindering van de
afhankelijkheid van de import. Grondstofverwerkende, chemische en
kunststofindustrie worden sterk gestimuleerd.
Handel
In 1987 vormden aardolie, garnalen, bananen, koffie
en cacao resp. 37%, 19%, 13%, 10% en 4% van de exportwaarde. De uitvoer
van koffie is afhankelijk van de quotaregeling in het kader van de
Internationale Koffie Overeenkomst (ICO). De belangrijkste
handelspartners zijn de Verenigde Staten, Japan, de EG en de buurlanden
van de CAN (voorheen Andes-Pact).
"Remesas"
Door de sterke migratiegolf eind jaren '90, leven
ongeveer 2 miljoen Ecuadoranen in het buitenland, vooral in de VS en in
Spanje en andere Europese landen. Het geld dat zij naar hun land
opsturen, de zgn. "remesas", zijn de tweede belangrijkste bron van
deviezen geworden, na de petroleum.
Geschiedenis
Inkarijk, Spaanse overheersing, onafhankelijkheid
Nadat het gebied voor 1100 jaar de oude beschaving
van de Quitu's gekend had, werd het in 1487 door de Inka Huayna-Capac
veroverd en met Peru verenigd onder de hoofdstad Quito. Na een eerste
verkenning door Bartholomé Ruiz (1526) veroverde
Francisco Pizarro dit Inkarijk (1531–1532). Twee eeuwen lang
behoorde de audiencia van Quito tot het gebied van de onderkoning van
Peru, later tot dat van Nieuw-Granáda (1712–1820). Na de mislukte
opstand van 1809–1812 voerde die van 1820 onder leiding van
Simón Bolívar, na de overwinningen van de generaals Santa Cruz en
Sucre, tot de capitulatie van de Spanjaarden (24 mei 1822). Samen met
Nieuw-Granáda en Venezuela vormde het land de republiek Groot-Colombia,
waarvan het zich echter in 1830 losmaakte.
19de en begin 20ste eeuw
De politiek werd in de 19de en het begin van de 20ste
eeuw bepaald door de strijd tussen liberalen en conservatieven. De
liberalen, die vooral in de havenstad Guayaquil sterk waren, streefden
naar terugdringing van de invloed van de kerk, decentralisatie van het
bestuur en een laissez-fairepolitiek in de economie. Hun tegenstanders
zetelden vooral in de hoofdstad Quito en zij verdedigden de
tegenovergestelde idealen. In feite ging het om de rivaliteit tussen de
Costa en de Sierra, die tot op heden voortduurt. Uit conservatieve kring
kwam de eerste president voort: Juan José Flores.
De periode 1845–1860 kenmerkte zich door burgerstrijd
en grensconflicten met Peru en Nieuw-Granáda (in 1863 omgedoopt tot
Colombia). Elkaar snel opvolgende regeringen, geleid door liberalen of
militairen, formuleerden steeds nieuwe grondwetten, die niet werden
nageleefd. Economische ontwikkeling vond niet plaats. Handel met het
buitenland was er nauwelijks. Wel werd in 1852 de slavernij afgeschaft.
De antiklerikale politiek van de liberalen (ze verdreven bijv. de
jezuïeten) en de slecht verlopende oorlog met Peru lagen ten grondslag
aan de opstand van 1860 die de conservatieven opnieuw aan het bewind
bracht (tot 1895). De onbetwiste leider van de conservatieven werd
Gabriel García Moreno, die van Ecuador een theocratie wilde maken. De
grondwet van 1869 ontnam alle niet-praktiserende katholieken en
andersdenkenden het staatsburgerschap en de daarbij horende rechten. Al
eerder was de greep van de kerk op het onderwijs, de rechtspraak en de
censuur versterkt. Het autoritaire regime zorgde voor binnenlandse rust,
terwijl voor het eerst de economische ontwikkeling aangepakt werd. Na de
moord op García Moreno in 1875 destabiliseerde het conservatieve bewind
tot een revolutie in 1895 de liberalen aan de macht bracht. Eloy Alfaro,
tweemaal president (1897–1901 en 1907–1911), zou de grondslag leggen
voor een liberale hegemonie die tot in de Tweede Wereldoorlog zou duren.
Hij seculariseerde de samenleving: scheiding van kerk en staat,
onteigening van kerkelijke landgoederen en een echtscheidingswet. In
zijn economische politiek streefde hij naar samenwerking met de
kapitalistische staten. De export van agrarische tropische producten,
vooral cacao, moest de motor worden van de economische ontwikkeling en
tegelijk de positie van de Guayaquil-elite versterken ten opzichte van
die van Quito. Tussen 1914 en 1925 maakte Ecuador een economische
malaise door die gepaard ging met groeiende sociale onrust. Na de
militaire staatsgreep van 1925 volgde de dictatuur van Isidro Ayora die
fiscale en economische hervormingen doorvoerde. De terugkeer van een
liberaal bewind in 1931 leidde tot de invoering van vrouwenkiesrecht.
Militaire junta’s en Velasco Ibarra
In de tweede helft van de jaren dertig regeerden
militaire junta's het land. De moeilijke internationale economische
omstandigheden, de politieke instabiliteit en ten slotte een nieuwe
oorlog met Peru vormden de achtergrond van de groeiende nationale
crisis. Het klimaat was rijp voor een populistische beweging als die van
J.M. Velasco Ibarra. Zonder duidelijk programma en steunend op een
heterogene aanhang van conservatieven, liberalen, socialisten en
communisten, greep hij in 1944 de macht. Velasco zou tot 1972 zijn
stempel op de politiek drukken. In totaal was hij tussen 1933 en 1972
vijfmaal president. Het velasquismo symboliseerde de fragmentatie
van de traditionele partijen en het nieuwe personalisme in de politiek.
Zijn bewind kenmerkte zich door het opstellen van veelbelovende
programma's voor publieke werken, industrialisatie en landhervormingen,
maar ook door een falen waar het de uitvoering betreft.
Begin 1972 bracht het leger Velasco ten val om de dat
jaar te houden presidentsverkiezingen te voorkomen. Generaal Rodriguez
Lara, die behoorde tot de links-nationalistische, zgn. Peruaanse vleugel
in de strijdkrachten, werd president. Hij voerde echter geen werkelijk
progressief sociaal beleid. Wél gaf hij ruime aandacht aan de nationale
economie. Begin 1976 werd Rodriguez Lara afgezet en vervangen door een
junta die de geleidelijke terugkeer naar een burgerregering aankondigde.
Op 15 jan. 1978 werd door middel van een referendum een nieuwe grondwet
aangenomen. In 1979 werd J. Roldós Aguilera tot president gekozen.
De jaren tachtig
Het opnieuw oplaaiende conflict over het deel van het
Amazonegebied dat Ecuador in 1941 aan Peru had verloren, leidde in 1981
(en in 1995) tot een grensoorlog tussen beide landen. Na de dood van
Roldós bij een vliegtuigongeluk in mei 1981 werd hij opgevolgd door
vice-president O. Hurtado. Hurtado ontsloeg de opperbevelhebber van de
strijdkrachten en de minister van Defensie, die gekant waren tegen zijn
pogingen tot verzoening met Peru. De presidentsverkiezingen van 1984
werden gewonnen door L. Febres Cordero van de conservatieven, die echter
gedurende zijn ambtstermijn geconfronteerd werd met een meerderheid voor
de oppositiepartijen in het parlement. Het neoliberale economische
beleid en de autoritaire regeerstijl van Febres Cordero veroorzaakten
sociale onrust en politieke instabiliteit. Een militaire rebellie onder
leiding van luchtmachtcommandant luitenant-generaal F. Vargas leidde tot
het aftreden van de minister van Defensie en de opperbevelhebber van het
leger. Febres Cordero werd in jan. 1987 door militairen ontvoerd. In
ruil voor zijn vrijlating verleende hij amnestie aan Vargas, die zich
kandidaat stelde voor de presidentsverkiezingen van jan. 1988. In een
tweede ronde op 8 mei 1988 versloeg de sociaal-democraat R. Borja de
populistische kandidaat A. Bucarám. Bij verkiezingen in juni 1990 kreeg
de oppositie de meerderheid in het parlement. Na presidentsverkiezingen
in mei en juli 1992 werd Sixto Durán Ballén in augustus als president
geïnstalleerd. Hij volgde Rodrigo Borja Cevallos op die sinds aug. 1988
president was geweest.
De jaren negentig
De uitvoering van het economische
aanpassingsprogramma (SAP) verliep in de eerste helft van de jaren
negentig moeizaam, doordat de regering voortdurend botste met een
oppositionele meerderheid in het parlement en ook vakbonden en Indiaanse
organisaties zich fel verzetten. De parlementsverkiezingen van mei 1994
liepen uit op een forse nederlaag van de partijen van president Durán
Ballén en vice-president Dahik. In jan. 1995 escaleerde het grensgeschil
met Peru in een bloedig conflict, waarbij aan beide zijden tientallen
doden vielen. Ondanks herhaaldelijk vredesoverleg bleef de situatie ook
in 1996 gespannen. In 1998 kwam er uiteindelijk een definitief
vredesakkoord met Peru, waarbij Ecuador weliswaar een groot deel van
zijn territorium in het Amazonegebied moest afstaan.
De presidentsverkiezingen van mei 1996 werden
gewonnen door Abdalá Bucarám van de populistische PRE. Begin 1997 brak
een massaal protest uit tegen de door Bucarám uitgevaardigde
bezuinigingsmaatregelen, waarna het parlement begin februari Bucarám
afzette. Na enige schermutselingen werd Congresvoorzitter Fabian Alarcon
tot interimpresident gekozen, die bij zijn aantreden
bezuinigingsmaatregelen aankondigde. Het jaar nadien kwam Jamil Mahuad
aan de macht na verkiezingen, maar ook hij werd in januari 2000 afgezet
na een volksopstand, die leidde tot een mini-staatsgreep die slechts 3
uur duurde. Vice-president Gustavo Noboa kwam aan de macht. In oktober
2002 waren er nieuwe presidentsverkiezingen. Tijdens de tweede ronde, op
24 november, kwam Gutiérrez als overwinnaar uit de bus. Gutiérrez werd
op zijn beurt afgezet in april 2005 en vervangen door zijn
vice-president, Alfredo Palacio. Op 26 november 2006 neemt Rafael Correa
het in de tweede ronde van de
presidentsverkiezingen
op tegen Alvaro Noboa, die nipt de eerste ronde won.
|